Street art in Leuven

Dit wordt een spinsel voor kunstliefhebbers. Ik laat jullie mee genieten van wat in Leuven stilaan uitgroeit tot een openluchtmuseum voor Street art. Alles begon, voor mij tenminste, met een wandeling-fietstocht van Leuven-plus. Wij deden mee met de riksja van Dijlehof. Vervolgens werd deze wandeling uitgebreid tot een route voor de riksja. Ondertussen zijn we ook bezig met het uitwerken van een wandeling voor de vrijwilligers van het wereldcafé en denkt men ook bij Leuven-plus luidop aan de uitwerking van een wandeling over Street art. Dit project krijgt dus niet een maar enkele staartjes.

Laten we nu genieten.

@ Brugbergpad
Gijs Van Hee @ Brugbergpad
Robbe VM @ Brugbergpad
@ Camilo Torres
DinDin @ Camilo Torres
@ Hooverplein
@ stadspark
@ Tivolibrug
DinDin
Smates
Dzia
The Koi Fish
Bisser
Collin van der Sluijs & Super A
Hoodo

wie er nog niet genoeg van heeft, kan een kijkje nemen op http://u.osmfr.org/m/382145/ . Daar vind je een kaartje van Leuven met de verschillende locaties en bijhorende illustraties.

Veel plezier ermee.

Communicatie en/of informatie

De aanleiding voor dit spinsel is nog maar eens een van de gesprekken die ik had met Karin, de “beleidsmedewerkster” van het Dijlehof. Bij het begin van het gesprek vroeg ze eens waar ik me in mijn professionele bestaan mee bezighield. Daarop antwoordde ik dat ik me vooral met informatie bezighield. Daarop was weer haar reactie dat zij zich ook met communicatie bezighoudt. Nu is natuurlijk de vraag: communicatie en informatie, is dat hetzelfde? Ik wil daar direct een tweede vraag bij laten aansluiten: hoe zit dat met communicatie en informatie in het Dijlehof?

Maar laten we beginnen met het duidelijk definiëren van de begrippen waarover we het gaan hebben. Wikipedia definieert communicatie als “een activiteit waarbij levende wezens betekenissen uitrusten door op elkaars signalen te reageren.” Wikipedia gaat ervan uit dat communicatie in principe bidirectioneel is. Als er sprake is van een richting, wordt er – nog altijd volgens Wikipedia – eerder gesproken van “informeren”.

Informatie betekent nog steeds volgens Wikipedia “alles wat kennis vermeerdert en zo onwetendheid, onzekerheid of om bepaaldheid vermindert.” Deze, volgens mij, zeer veelzeggende definitie heeft enkele belangrijke consequenties. Zo is “slechte informatie “in feite een contradictio in terminis want deze “slechte informatie” vermeerdert onzekerheid en vermindert kennis. Dit is dus geen informatie. Communicatie is dus pas informatie als het kennis doet toenemen en het begrip “informeren” zoals Wikipedia het definieert wordt zo een dubbelzinnig begrip: informeren wordt informatie alleen als de kennis toeneemt.

Het is niet moeilijk voorbeelden te vinden waarbij communicatie geen informatie inhoudt. Dat hoeft daarom niet altijd negatief te zijn. Zo heeft communicatie ongetwijfeld ook een sociale functie los van het informatieve. Ook muziek beluisteren kan men in feite beschouwen als een vorm van communicatie (eventueel als een vorm van “informeren”). Misleidende communicatie, zoals daar zijn propaganda, reclame en marketingcommunicatie, bevatten geenszins informatie. Wie zich daarmee bezighoudt, beschouw ik geenszins als collega.

Ik denk dat hiermee de eerste vraag is opgelost, maar hoe zit het nu met de informatie en communicatie in het Dijlehof?

Er wordt hier misschien wel genoeg gecommuniceerd maar er wordt mijns inziens veel te weinig geïnformeerd. Veel communicatie vermeerdert amper de kennis en 1:00 uur nauwelijks informatie te noemen. Enkele voorbeelden om dit te illustreren.

  • De verslagen van de bewonersraden worden nauwelijks gelezen.
  • Veel bewoners kennen de verantwoordelijkheden van mensen zoals Karin (klachten en dergelijke) niet.
  • Bewoners met de ziekte van Parkinson, of familieleden van deze bewoners kennen de Parkinsonverpleegster, Sophie en de Parkinsonkinesitherapeute, Veerle niet.
  • Er bestaat nog steeds veel onduidelijkheid rond de namen van de verschillende entiteiten van het Dijlehof: woonzorgcentrum, Centrum voor dagverzorging, Hoogdijle, Neerdijle, Lessius … niet

Hoe komt dit?

Ik denk in de eerste plaats aan een verkeerde inschatting van het doelpubliek. Veel bewoners lezen de berichten ad valvas niet en heel veel bewoners hebben geen internet. In een aantal gevallen zit er duidelijk interne ruis op de communicatie en worden verkeerd begrepen boodschappen doorgegeven. Volgens mij in het tenslotte ook sprake van een vorm van informatie-overload waarbij belangrijke informatie wordt ondergesneeuwd door een overdosis aan positieve berichtgeving, of hoe teveel positieve informatie ook averechts kan werken.

De oplossing van dit probleem is gemakkelijker uit te leggen dan uit te voeren. Er is hier nood aan bijkomend informatiemanagement waarbij in de eerste plaats moet geluisterd worden naar de echte informatienoden van de bewoners. Eens men die kent, kan men op zoek gaan naar specifieke informatiekanalen die de informatie naar de ontvangers brengen. Ik zou hier durven pleiten voor een meer sporen beleid waarbij verschillende kanalen naast elkaar worden gebruikt zodat iedereen toch een kanaal vindt dat voor hem aangepast is.

Dit is misschien geen goed-nieuws-show maar beter slecht nieuws met informatie dan goed nieuws zonder informatie.

Vrijheid versus Veiligheid, Grenzen versus Kansen

De aanleiding tot dit spinsel waren twee gesprekken die ik had met verantwoordelijken van het Dijlehof. In beide gesprekken kwam een van de twee woordparen uit de titel nogal prominent naar voren. Mijn vraag naar meer vrijheid werd consequent beantwoord met een verwijzing naar meer veiligheid en op mijn vraag naar meer kansen werd ik telkens weer geconfronteerd met een antwoord waarbij mij gewezen werd op de grenzen van het systeem. Dit bracht mij aan het denken en deze denkoefening wil ik nu aan jullie voorleggen.

Toen ik enkele weken geleden naar aanleiding van het heropstarten van deze spinsels mijn oudere schrijfsels eens teruglas, stootte ik op enkele spinsels die perfect aansluiten op deze problematiek. Zo heb ik al eerder gewezen op de tegenstelling tussen inclusief en exclusief, en gepleit voor gezond vertrouwen en gewaarschuwd tegen blind wantrouwen.

Ik wil proberen dit “wetenschappelijk” te behandelen. Dit spanningsveld tussen vrijheid en veiligheid, of tussen kansen en grenzen doen mij denken aan spanningsvelden in de fysica. Ook daar heb je verschillende krachten die spanningsvelden creëren: de aantrekkingskracht, elektromagnetische krachten … Op dit ogenblik is de zoektocht naar een eenheidsprincipe die al deze krachten in één theorie kan verklaren zowat de zoektocht naar de heilige graal van de fysica. Wat is nu het eenheidsprincipe achter ons spanningsveld?

Laten we daarom dit spanningsveld eerder eens van dichterbij bekijken en we beginnen met het spanningsveld tussen veiligheid en vrijheid. Het is duidelijk dat deze twee moeilijk samengaan: meer vrijheid betekent meestal automatisch minder veiligheid en omgekeerd. Maar wat mij betreft is van deze twee vrijheid toch de belangrijkste. Het wordt pas gevaarlijk als veiligheid een doel op zich wordt. Dan loeren dictatuur en onvrijheid om de hoek.

Iets gelijkaardigs kan gezegd worden van het spanningsveld tussen kansen en grenzen, met dat verschil dat niemand tegen meer kansen kan zijn maar het is maar de vraag hoe je die kansen creëert. Soms zal je daarbij grenzen moeten verleggen. Grenzen zijn dus ook niet absoluut. Een systeem met absolute grenzen is gesloten en dikwijls gevaarlijk. Grenzen zijn alleen nuttig als ze vrijheden beschermen en als ze mensen kansen bieden.

Wij stellen nu vast dat hier telkens sprake is van twee polen waarvan een pool een duidelijk positief karakter heeft en de andere een duidelijk negatief karakter. De positieve pool is absoluut en moet in ieder geval gemaximaliseerd worden. De negatieve pool is daarentegen altijd relatief en mag absoluut nooit een doel op zich worden. Absolute veiligheid en absolute grenzen zijn beide levensgevaarlijk. Negatieve polen staan altijd in relatie tot een positieve pool: zo is veiligheid maar nuttig om de vrijheid te beschermen en zo zijn grenzen maar nuttig om mensen kansen te geven.

En wat is nu het eenheidsprincipe achter dit spanningsveld? In tegenstelling tot de fysica is volgens mij het principe hierachter vrij duidelijk. Gelovige mensen zouden zeggen: “wij zijn geschapen als vrije maar zondige mensen.” Minder gelovige en meer wetenschappelijke mensen kunnen zeggen: “wij zijn geëvolueerd tot vrije, sociale, redelijke maar onvolmaakte mensen.” In een ideale en dus onbestaande maatschappij zouden veiligheid en grenzen niet nodig moeten zijn. Helaas – of gelukkig maar – is de maatschappij niet ideaal en daarom blijven grenzen en veiligheidsvoorschriften levensnoodzakelijk maar zij blijven ondergeschikt aan de absolute waarden van vrijheid en kansen geven.

Maar wat is nu het belang hiervan voor mijn dagelijks leven? Ik denk dat dit invloed heeft op wie ik wil zijn: ik wil graag zo vrij mogelijk zijn en zoveel mogelijk kansen krijgen om mij te ontwikkelen, desnoods ten koste van een beetje veiligheid en of door een beetje buiten de grenzen te kleuren. Ik hoop dat alle mensen uit mijn omgeving dit willen begrijpen en respecteren, en ik hoop dat ik zelf dit respect opbreng voor iedereen met wie ik in contact kom.

Met Parkinson in Dijlehof

ik wil in dit spinsel twee vragen proberen te beantwoorden: ten eerste wil ik nagaan welke mogelijkheden er zijn voor de opvang van chronische patiënten van middelbare leeftijd (40 – 70 jaar), en ik wil ook de huidige opvang evalueren op basis van mijn eigen ervaringen. Laat ons beginnen met het eerste punt.

Volgens mij is de situatie op dit vlak zeer duidelijk: er bestaat op dit ogenblik geen specifieke opvang voor chronische patiënten tussen laat ons zeggen 40 en 70 jaar. Als je kijkt naar de mogelijkheden, zie ik twee grote opties: ofwel vang je deze mensen op in een bestaande infrastructuur, zoals woonzorgcentra, assistentiewoningen enzovoort, ofwel ga je specifieke infrastructuur creëren voor deze mensen. Dit zouden instellingen kunnen zijn die te vergelijken zijn met bestaande MS-centra. Als je kiest voor de eerste optie betekent dat dat we deze mensen opvangen naast andere doelgroepen zoals bijvoorbeeld ouderen.

Wie al een tijdje mijn spinsels volgt en mij daardoor een beetje kent, kan waarschijnlijk al raden waar mijn voorkeur naartoe gaat. Ik heb een natuurlijke voorkeur voor inclusieve oplossingen in plaats van exclusieve. Of – om het met een boutade te zeggen: “ik word liever inbegrepen dan uitgesloten.” Bovendien zit ik liever in Leuven in een omgeving met ouderen dan in Verwegistan met leeftijdsgenoten en of lotgenoten. Zo kan ik nog een sociaal leven opbouwen naast het woonzorgcentrum.

Laten we nu eens kijken wat de waarde is van de huidige opvang en laten we eens positief beginnen. Ik denk dat ik ongeveer de beste oplossing heb gekozen maar die is nog altijd voor verbetering vatbaar. Zolang er verbetering mogelijk is, moeten we daar naar streven.

Een eerste punt dat ik wil aanhalen is de aanwezigheid en het belang van een Parkinsonverpleegkundige en een Parkinsonkinesitherapeut. Ik heb het geluk in een woonzorgcentrum de verblijven waar deze mensen aanwezig zijn en ik heb al een paar keer ondervonden dat ze er zijn wanneer ze er moeten zijn: in geval van crisissen. Persoonlijk vind ik dat dergelijke specialisten zouden moeten aanwezig zijn in alle woonzorg centra. Er is volgens mij ook nog een beroepsgroep die extra opleiding in verband met de ziekte van Parkinson zou kunnen gebruiken en die zich daartoe veel te weinig aangesproken voelt: de huisartsen.

Waar het op dit vlak – van de Parkinsonspecialisten – nog veel beter kan, is hun zichtbaarheid. Die is naar mijn bescheiden mening zo goed als onbestaande voor de parkinsonpatiënten zelf. Als er een groep is die deze mensen moet kennen, dan zijn het toch de patiënten voor wie ze er moeten zijn. Volgens mij weet geen enkele Parkinsonpatiënt buiten mezelf bij wie ze voor problemen rond hun ziekte terechtkunnen in Dijlehof. Dit brengt ons automatisch bij een ander pijnpunt de communicatie met de patiënten. In Dijlehof wordt er wel over parkinsonpatiënten maar niet – of in ieder geval veel te weinig – met patiënten gepraat. Ik heb soms de indruk dat men bang is van de mondige patiënt. Daarom misschien dat men liever spreekt met de familie.

Toch zijn er volgens mij een aantal zaken in het dagelijkse leven waar een beetje kennis van de ziekte en van de problemen die hiermee samenhangen, een voor kunnen zorgen dat deze problemen minder groot worden. Ik denk dan in de eerste plaats aan de maaltijden. Voedselzorg is voor mij veel meer dan ervoor te zorgen dat de mensen de nodige voedingsstoffen binnenkrijgen. Problemen die ik zelf ervaar hebben meer te maken met eten dan met voeding: met eten bedoel ik het tot mij nemen van voedsel door bijvoorbeeld het gebruik van bestek en andere hulpmiddelen. Wordt er wel eens over nagedacht dat niet alle voeding even gemakkelijk hanteerbaar is? Probeer maar eens erwtjes te eten als je geen vaste hand hebt. Of probeer eens een stuk taart te eten als die taart vol slagroom ligt en als je niet kunt snijden. Dan hebben we het nog niet gehad over het probleem van het morsen. Ik zou het tof vinden, en ik wil er zelfs een beetje moet betalen, als men daarvoor enkele oplossingen aanreikt. Helaas word ik op dit vlak tot nu toe aan mijn lot overgelaten.

Tenslotte wil ik nog een puntje aanhalen: de papierenwinkel. Heeft er ooit iemand aan gedacht dat niet iedereen nog in staat is te schrijven. Voor alle duidelijkheid, ik weet nog altijd hoe ik bepaalde woorden moet schrijven (de spelling) maar ik slaag er niet meer in een handtekening te zetten. Daarom vraag ik mij af waarom in deze tijd van digitalisering en niet meer gebruik gemaakt mag worden van digitale formulieren (annulatieformulieren voor de maaltijden, signaalkaarten, formulieren voor waterbestellingen,…)

Dit zijn maar enkele voorbeelden van problemen die zich voordoen als zaken geregeld worden door mensen die alle mogelijkheden hebben en er niet aan denken dat er mensen zijn die die mogelijkheden niet meer hebben.

ik wil dit spinsel afronden met een oproep tot alle beleidsverantwoordelijken van het Dijlehof. Ook al is de kans klein dat iemand van hen dit leest. Je weet maar nooit. Beste Karin, Rudy, Ilse, … , Jullie benadrukken maar al te graag wat jullie allemaal wel doen, denk bij het beantwoorden van deze en andere reacties ook eens meer na over wat jullie nog niet doen.

Uit het oog, niet uit het hart

het is zaterdag en het is hier nog zeer rustig op dit vroege uur. Ideaal dus om een – zeer kort – spinsel te schrijven (beter gezegd “in te spreken”). Dit is een kort tussendoortje om te zeggen hoe blij ik ben met jullie reacties.

Ik ben vooral heel erg blij met de reacties van de laatste weken die vooral uit een hoek kwamen. Zij bewijzen dat mijn uitspraak in het laatste spinsel: “uit het oog maar nog niet uit het hart “blijkbaar wederzijds is, ik ben in de bibliotheek blijkbaar nog niet vergeten. Dat bewijzen deze reacties.

Er waren in de eerste plaats de reacties uit Holland, Nederland (Leiden ligt nu eenmaal in Zuid-Holland. Jullie reacties, Monieke en Jan, doen mij automatisch terugdenken aan die fantastische week die ik mocht beleven in Leiden, ongetwijfeld een hoogtepunt in mijn professionele carrière. Vooral die laatste avond op een terrasje van een restaurantje zal ik nooit vergeten.

Jouw reactie, Hilde, toont nog eens aan wat een grote dame je bent. Mijn baas ben je niet meer maar je blijft een fantastische collega.

En jouw reactie, Anne, toont aan dat ook Arenberg mij niet vergeten is en daar ben ik even blij om als om de andere reacties.

Kortom, alleen maar positief nieuws en alleen maar gelukkige mensen: ik voel me dus zeer goed.

 

Groeten,

Wim.