Maandelijks archief: mei 2016

Zorgbehoeftig maar nog niet zorgafhankelijk

Kritische ideeën over een rust- en verzorgingsinstelling.

Mijn ervaring in kortverblijf in Dijlehof heeft mij helaas duidelijk gemaakt dat de rust- en verzorgingstehuizen nog niet klaar zijn om hun taken ook in de eenentwintigste eeuw op te nemen. Zij zijn nog altijd te exclusief gericht op hoogbejaarde (ze spreken zelf altijd van vijfentachtigplussers) bewoners die zeer veel zorg nodig hebben en laten een groeiende groep potentiële bewoners in de kou staan. Ten eerste groeit de groep van de vijfenzestigplussers die wel zorgbehoevend zijn maar daarom nog niet zorgafhankelijk. Hetzelfde geldt ook voor de chronisch zieken, zoals bijvoorbeeld Parkinsonpatiënten. Ook deze groep zal helaas nog groeien.

Ook al is het gedeeltelijk terecht, toch vind ik dat de verantwoordelijken zich te gemakkelijk verschuilen achter een tekortschietend beleid en zo hun eigen verantwoordelijkheid ontlopen. Ze hebben inderdaad gelijk als ze stellen dat er, zeker als het gaat over de verzorging van chronisch zieken, hiaten zijn in de verzorgingsinfrastructuur, maar dat ontslaat hen niet van de taak ervoor te zorgen dat al hun bewoners zich thuis voelen en daarin schieten ze duidelijk tekort. Ik voel me thuis in Leuven want hier kan ik doen wat ik graag doe en ontmoet ik de mensen die ik graag zie, maar ik voel me niet thuis in Dijlehof omdat ik hier niet au serieux genomen word. Ik voel me echt gefrustreerd en tot nu toe wordt er te weinig gedaan om die frustraties weg te nemen.

De eerste reden van frustraties zit hem in de activiteiten die worden aangeboden. Die zijn – wat normaal is – vooral gericht op de hoogbejaarde weinig actieve bewonersgroep. De andere bewoners blijven daarbij wel te veel in de kou staan en suggesties voor andere activiteiten worden veel te weinig serieus genomen en worden veel te vaak genegeerd op basis van flauwe argumenten die in de eerste plaats eigen onwil verbergen. Geef nieuwe ideeën ten minste een kans en beslis niet te gemakkelijk in plaats van de bewoners (“onze mensen kunnen of willen dat niet.”) Jullie bewoners kunnen vaak meer dan jullie willen toegeven. Door ideeën van bewoners een kans te geven, groeit de betrokkenheid van de bewoner bij je activiteiten en bij de situatie van zijn medebewoners. Dit is een uitgelezen kans om hem meer thuis te laten voelen. Hen negeren creëert alleen frustraties.

Ook in het dagelijkse leven voel ik me af en toe gefrustreerd vooral als bezorgdheid overhelt naar betutteling. Ik begrijp dat men ’s avonds en ’s nachts even polst of alles in orde is maar drie verpleegsters op een kwartier vind ik een beetje overdreven. Maar vooral tijdens de maaltijden voel ik me regelmatig behandeld als een klein kind. Ik heb soms de indruk dat het personeel het eten voor jou zou willen knabbelen als ze zouden kunnen. Ik begrijp dat sommige bewoners meer hulp nodig hebben maar als zelfstandig mens doe ik wat ik zelf kan liever zelf. In vele gevallen gaat betutteling zelfs ten koste van efficiëntie. Als je de bewoners laat doen wat ze zelf kunnen en alleen helpt als het gevraagd wordt, komt er tijd vrij om te helpen waar het echt moet.

Ik erger mij ook regelmatig aan de manier waarop hier met afspraken omgegaan wordt en de bijhorende wachttijden die dat meebrengt. Ik heb de indruk dat men er hier vanuit gaat dat je als bewoner niets anders te doen heeft dan te wachten op de volgende afspraak. Bovendien heeft men niet vaak de neiging zich te verontschuldigen alsof zij alleen het druk hebben en bewoners alle tijd hebben. Dat is vaak zo maar niet altijd. Zich houden aan afspraken heeft volgens mij niets met kenmerken van bewoners te maken. Goede afspraken maken altijd goede vrienden. Zo toon je ten minste dat je ook respect hebt voor bewoners die geen tijd op overschot hebben.

Maar veruit het meest erger ik me aan de manier waarop hier gereageerd wordt op mondigheid. Wie hier zijn ongenoegen durft te uiten wordt blijkbaar gezien als een “gevaar voor de groep” en eerder dan de oorzaak van het conflict te zoeken in de eigen organisatie, wordt de oorzaak gezocht bij de persoonlijkheid van de klagende bewoner en wordt deze behandeld als een medisch probleem.

Daarbij wordt zelfs een loopje genomen met patiëntenrechten en met de privacy van de bewoner. Van therapeutische vrijheid en vertrouwelijkheid van het medisch dossier heeft men hier blijkbaar nog niet gehoord. En blijkbaar is voor Dijlehof de familie belangrijker dan de bewoner. Waarom wordt anders achter de rug van de bewoner de mening van de familie gevraagd zonder eerst de bewoner zelf te raadplegen?

De manier waarop hier met conflicten omgegaan wordt, doet me eerder aan de middeleeuwen denken dan aan de eenentwintigste eeuw. In de middeleeuwen werd je ook eerst veroordeeld en werd nadien wel onderzocht of de veroordeling terecht was. En is het anderzijds niet normaal dat in een conflict alle betrokken partijen gehoord worden. Ik ben wel degelijk gestraft zonder dat ik wist waarom. Ik heb pas uitleg gekregen toen ik er achteraf zelf naar vroeg en toen werd ik plots een probleem.

Sorry, dames en heren verantwoordelijken van het Dijlehof, maar ik kan me niet thuis voelen in een huis waarin je gestraft wordt omdat je je mond durft opendoen en waar vage groepsbelangen primeren op een eerlijke behandeling van alle bewoners, ook als die niet tot jullie geprefereerde standaardpubliek behoren. Als jullie echt willen dat ook ik me in Dijlehof thuis voel, dan zal er toch iets moeten veranderen.

Vooreerst hoop ik dat jullie eindelijk willen toegeven dat ik oneerlijk behandeld ben en ik hoop vooral dat ik of andere patiënten in de toekomst wel eerlijk behandeld worden. Dat betekent in de eerste plaats eerst onderzoeken en dan ingrijpen. Natuurlijk moeten alle betrokkenen in een conflict gehoord worden en heeft iedereen recht op wederwoord. Patiëntenrechten, en dus ook vertrouwelijkheid van het medisch dossier en therapeutische vrijheid gelden ook in rust- en verzorgingstehuizen. Ik begrijp dat jullie graag goede relaties onderhouden met de families maar in essentie primeren de wensen van de bewoner zelf. Volgens mij hebben jullie het recht niet om buiten de wil van de bewoner om de familie erbij te betrekken (tenzij in geval van wilsonbekwaamheid maar daar was in mijn geval zeker geen sprake van.) Deze principes zijn in mijn geval duidelijk geschaad en ik vraag hier nog eens uitdrukkelijk dat Dijlehof dit eindelijk eens toegeeft.

Ik zou willen eindigen met een oproep aan Dijlehof en andere rust- en verzorgingsinstellingen. Steek je niet weg achter de overheid. Neem nu al je verantwoordelijkheid en hou nu al rekening met alle bewoners: oud en minder oud, actief en minder actief, zorgafhankelijk en zorgbehoevend, tijdelijk en permanent. Luister niet alleen naar je bewoners, maar doe ook iets aan hun terechte wensen. Je houden aan afspraken en minder betuttelen kost geen geld.

Voor een oneerlijke behandeling zijn er geen excuses.

Wetenschap en journalistiek

Even een bedenking tussendoor.

Ik weet niet hoe het met jullie is maar ik stoor me regelmatig aan de kwaliteit van de zogenaamde wetenschappelijke berichtgeving. Informatie kan je die vaak bezwaarlijk noemen want informatie wordt geacht de onzekerheid te reduceren en deze berichten zorgen meestal alleen maar voor meer verwarring en verhogen zo de onzekerheid.

Dit wordt pas echt problematisch als we het over “gezondheidsinformatie” hebben. Dan is verkeerde berichtgeving niet alleen misleidend, dan wordt ze ook ronduit gevaarlijk. Dit werd recentelijk nog eens aangeklaagd in het gezondheidsmagazine Bodytalk waarin de hoofredactrice van leer trekt tegen “zelfverklaarde voedingsexperts zonder enige wetenschappelijke achtergrond”.

Ook de gekende Frans-Zwitserse filosoof Alain de Botton trekt in zijn boek “Het Nieuws: een gebruiksaanwijzing” ten strijde tegen de verwarrende berichtgeving op het vlak van gezondheid en spreekt van mediagiganten die geld verdienen met dit soort berichten. Zijn advies is duidelijk: “Organisaties moeten dringend stoppen met journalisten te belonen voor van de pot gerukte berichten over gezondheid. Ze zouden hen net moeten belonen voor correcte gezondheidsinformatie.”

Merk in bovenstaand kort citaat de genuanceerde woordkeuze op: de auteur plaatst “correcte gezondheidsinformatie” tegenover “van de pot gerukte berichten”

Dat het ook anders kan, bewijzen zeldzame parels van wetenschappelijke journalistiek zoals het ronduit schitterende “Hersenstormen” van Jon Palfreman. Volgens mij verplichte literatuur voor iedereen die op professioneel vlak in contact komt met de ziekte van Parkinson. Geen plaats voor pseudowetenschap, alleen de zuivere wetenschap met al zijn verdiensten en gebreken.

De ziekte is bekend, nu nog een remedie. Ik wil hier alleen maar één mogelijke denkpiste voorstellen. Ik heb niet de pretentie te denken hiermee alles op te lossen. Daarvoor is het probleem te complex. Aanvullingen en opmerkingen zijn dus meer dan welkom.

Ik zou hier willen pleiten voor beter opgeleide wetenschappelijke journalisten. Voor mij is wetenschappelijke journalistiek een specialisatie binnen de journalistiek, in die zin dat journalistieke kwaliteiten noodzakelijk maar niet voldoende zijn als basis voor wetenschappelijke journalistiek. Ik wil hier pleiten voor een gespecialiseerde opleiding wetenschappelijke journalistiek. Een korte zoektocht op het internet heeft mij geleerd dat zoiets al bestaat maar de voorbeelden die ik heb kunnen bekijken, leggen nog te weinig de klemtoon op het wetenschappelijke element. Zo is er van de elementen die ik seffens wil voorstellen amper sprake.

Wat moet dergelijke opleiding inhouden. Natuurlijk moet een wetenschappelijk journalist in de eerste plaats een goede journalist zijn. Ik veronderstel dan ook dat die eigenschappen voldoende gekend zijn en wil me alleen toeleggen op de capaciteiten die specifiek zijn voor de wetenschappelijke journalistiek. Daarmee komen we op vertrouwd domein want de eerste vereiste die we van een wetenschapsjournalist kunnen verwachten, zijn meer dan gemiddelde informatievaardigheden.

Aangezien de wetenschappelijke communicatie hoofdzakelijk gebaseerd is op documentaire informatie – dit is informatie die op een fysieke informatiedrager is vastgelegd – is het kunnen terugvinden, beoordelen en gebruiken van deze informatiebronnen essentieel voor een wetenschapsjournalist. Bibliografische databanken zoals PubMed, Web of Science, Google Scholar, … zouden voor een goed wetenschapsjournalist geen geheimen meer mogen hebben.

Ook de natuurlijke partner van informatievaardigheden, kritisch denken, behoort vanzelfsprekend tot de competenties van een goede wetenschapsjournalist. Zeker als je geconfronteerd wordt met pseudowetenschappen is het herkennen van drogredenen een belangrijk wapen om valse veronderstellingen te counteren.

Je hoort weleens zeggen: je kan toch niet alles lezen. Hoe moeten we dan het koren van het kaf scheiden. Wie zoiets zegt, kent de wereld van de wetenschappelijke communicatie niet en hem ontbreekt aldus een belangrijke competentie om een goede wetenschapsjournalist te kunnen zijn. De wetenschappelijke wereld heeft wel degelijk zichzelf beschermd tegen misbruiken.  Deze bescherming is niet perfect maar ze bestaat wel degelijk.

Het eerste en belangrijkste wapen is het peer-review-systeem (officiële Nederlandse vertaling: collegiale toetsing). Dat komt er vooral op neer dat je in de wetenschappelijke wereld niet zomaar kan publiceren wat je wil. Als je wil meetellen, publiceer je bij voorkeur in een “erkend” wetenschappelijk tijdschrift en die zijn allemaal “peer-reviewed”. Dat betekent dat elke publicatie voor publicatie wordt gelezen door collega’s en dat het pas gepubliceerd wordt als deze “jury” het heeft goedgekeurd.

Het is bovendien ook zodat collega’s ook na publicatie hun waardering voor collega’s kunnen laten blijken, en de belangrijkste manier om dit te doen, is het citeren van hun artikels. Als je die citaties gaat tellen, krijg je automatisch een rangorde van artikels, van tijdschriften (op basis van het gemiddelde aantal citaties per artikel) en van auteurs (meer geciteerde auteurs zijn belangrijker). Ik herhaal nog eens: dit systeem is zeker niet perfect maar er geen rekening mee houden vind ik nog slechter. Ik vind dan ook dat elke zichzelf respecterende wetenschapsjournalist zaken als impactfactoren, de h-index, rankings … moet kennen.

Ten slotte vind ik dat elke wetenschapsjournalist een basiskennis moet hebben over het wetenschappelijk domein waarover hij schrijft. Ik verwacht niet dat elke wetenschapsjournalist een professor in alle wetenschappen is, maar wie over voeding schrijft, moet volgens mij meer weten dan dat er natuurlijke (en dus goede) en synthetische (en dus slechte) voeding bestaat. Een uitspraak als: “Het komt uit de natuur, het zal wel goed zijn” raakt kant noch wal. Hij zou ten minste ook mogen weten dat natuurlijke gifstoffen tot de gevaarlijkste giffen behoren die er bestaan. Je kunt inderdaad niet alles weten maar dan geldt de eeuwenoude wijsheid “Schoenmaker, blijf bij je leest.”

Open brief

Aan de schepen van toerisme

Geachte heer schepen,

U was het waarschijnlijk al vergeten maar in 2007 hield u een speech naar aanleiding van het zestig jaar bestaan van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond. Gelukkig kunnen we die nog eens nalezen want wij hebben hem gepubliceerd in ons tijdschrift. Ontkennen heeft dus geen zin.

Ik ben zo vrij er een kort stukje letterlijk uit te citeren:

“Dat de LGB ook aandacht schenkt aan de Leuvenaar zelf als toerist in zijn stad met de bekende KUS-wandelingen, waarderen wij zeer. Dit draagt in belangrijke mate bij tot het gevoel van fierheid en van waardering van de Leuvenaar voor zijn stad. Dit creëert mee een draagvlak bij de Leuvenaars voor het beleid van enerzijds zorg voor ons erfgoed en anderzijds aanpassing van de stad aan nieuwe noden en verwachtingen.

U mag daarbij zeker – en dit is een uitnodiging –  uw rol van geweten van onze stad naar het beleid voluit spelen.”

Mijnheer de schepen, u heeft ons deze rol gewoon afgepakt. Wat nog erger is, u heeft de Leuvenaar zijn Ken-Uw-Stad- en zomerwandelingen afgepakt!  Waarom?

Niet omdat wij dit alleen organiseerden. U ha de Ken-Uw-Stad- en zomerwandelingen even goed in een perceel kunnen stoppen en het mee opnemen in het bestek dat u hebt opgesteld. Wij zouden dan wel gezien hebben wie dit perceel zou binnengehaald hebben. Dan hadden de Leuvenaars ten minste de kans behouden zijn stad beter te leren kennen.

Ik kan me niet voorstellen dat u niet meer achter uw eigen woorden staat. Er moeten dus andere redenen zijn om deze bocht van 180 graden te verklaren. In de wandelgangen hoor ik wel motiveringen waarvan ik alleen kan hopen dat ze niet kloppen want ze getuigen alleen van een zeer kortzichtige blik op toerisme die niet strookt met de visie die u verdedigde in uw speech in 2007 en later ook op de Algemene Vergaderingen van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond, en al helemaal niet met de visie van uw voorganger als schepen van Toerisme, toch een partijgenoot. Hij noemde ons herhaaldelijk de ogen en oren van de Leuvenaar naar het gemeentebestuur toe.

Kwatongen beweren dat dit de gemakkelijkste manier was om op toerisme te besparen om zo uw steentje te kunnen bijdragen aan het mooie financiële plaatje dat deze meerderheid het jaar voor de verkiezingscampagne weer uitbreekt aan de bevolking wou voorspiegelen. Ik durf te betwijfelen of de subsidies aan Ken-Uw-Stad en Zomerwandelingen de financiële slokoppen waren van het toeristisch beleid. Volgens mij heeft de organisatie van een “Thuis”-dag veel meer gekost dan de subsidies voor alle wandelingen samen. Maar ja, onze schepen staat blijkbaar liever met Marleen Merckx op de foto dan met een van de meer dan honderd schitterende gidsen van zijn stad. Met mij hoeft hij alvast niet meer te poseren.

Een andere verklaring die ik al gehoord heb, is dat cultuurtoerisme onder cultuur valt en niet onder toerisme. Dit lijkt me een typisch Belgische redenering maar dan wel op gemeentelijk vlak. Zulke belachelijke bevoegdheidsdiscussies kunnen alleen in België gevoerd worden. Wanneer houdt een hotelgast op een toerist te zijn en wordt hij plots cultuurtoerist? Of zijn bezoekers van onze stad alleen maar toeristen als ze ook renderen voor de Leuvense horeca-zaken? Als dat de redenering is, kan je de bevoegdheid toerisme best afschaffen en deze toevoegen aan de schepen van middenstand. Gelukkig blijft de bevoegdheid en dus ook het geld dan binnen dezelfde partij. Het lijkt er trouwens op dat de partijen van de meerderheid in dit dossier de zwarte piet naar elkaar aan het doorschuiven zijn. De CD&V-schepen van Toerisme legt de verantwoordelijkheid bij de SP.A-schepen van cultuur en omgekeerd.

Als geen van beide verklaringen juist is, mijnheer de schepen, geef me dan één goede reden waarom u nu net het omgekeerde doet van wat je nog geen tien jaar geleden gezegd hebt. En als u geen goede reden kunt vinden, toon dan even politieke moed, geef uw vergissing toe en geef de Leuvenaars opnieuw de kans hun stad beter te leren kennen.

Wim Van Isterdael,

15 jaar bestuurslid van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond (gestopt om medische redenen).

Terug thuis in Leuven

Dit Spinsel draag ik op aan al mijn Leuvense vrienden.

Nu bijna twee maanden geleden ben ik weer in Leuven gearriveerd en ik heb nog nooit ze een heerlijk gevoel van thuiskomen gehad als de voorgaande weken. Eén ding is nu wel duidelijk geworden: ik hoor thuis in Leuven en nergens anders. Wie er ook maar aan denkt mij elders te kunnen verplanten, bewijst dat hij of zij me nog niet echt kent. Mij overplaatsen naar een andere plaats komt neer op spirituele euthanasie en is te vergelijken met het isoleren van de melaatsen op het schiereiland Kalaupapa op Molokai (zoek dat maar eens op).

Habitués van deze Spinsels – en ik heb nog maar eens mogen ervaren dat die groep groter is dan ik me kon voorstellen – weten dat mijn toekomstplannen een perfecte barometer zijn voor mijn gemoedstoestand. Uit de volgende paragrafen zal snel blijken dat ik effectief in goede doen ben: ik heb plannen in overvloed. Ik hoop alleen dat anderen geen roet in het eten komen gooien want zeker voor enkele plannen ben ik ook afhankelijk van de samenwerking met anderen. Overeenkomstig met wat ik eerder schreef, ga ik uit van de goede wil van de andere.

Voor het verdere verloop verwacht ik zeer veel van drie contacten die ik in de loop van de volgende weken hoop te kunnen leggen. Zij zullen mee bepalen wat kan en niet kan.

Vooreerst hoop ik (eindelijk) contact te kunnen leggen met het animatieteam van Dijlehof want ik hoop ook voor mijn tijdelijke buren iets te kunnen doen. Een virtuele rondleiding en/of een Ken-Uw-Stad-Quiz behoren zeker tot de mogelijkheden maar ik hoop vooral dat ze willen meewerken aan mijn project rond toegankelijkheid. Hun bijdrage zou eruit bestaan dat ze de trajecten zouden willen uitproberen die ik heb uitgestippeld. Gebaseerd op hun feedback wil ik komen tot een kaart waarop de toegankelijkheid van de Leuvense straten kan afgelezen worden.

In dit project zou ik de link kunnen leggen tussen mijn huidige situatie en mijn achtergrond als stadsgids, iets wat alleen in Leuven mogelijk is. Dit is dan ook het eerste onderwerp van mijn tweede essentiële contact, dat met Jo Celis. Jo is mijn geprefereerde contact met het bestuur van Leuven+. De gidsen hebben mij ondertussen al ruimschoots terug in hun kring opgenomen. Het bestuur is blijkbaar moeilijker bereikbaar maar met Jo als tussenpersoon moet dat zeker ook lukken.

Naast het bovenvermelde project rond toegankelijkheid heb ik nog enkele projecten die ik graag zou realiseren samen met enthousiaste collega’s gidsen, een paar oudere ideeëen en een paar nieuwe.

  • Ik zou het verlies van onze bibliotheek in het gidsenhuis graag willen doen vergeten door de uitbouw van een digitale bibliotheek.
  • Ik wil eindelijk werk maken van een oude droom: een actuele universiteitswandeling die niet eindigt in 1968 maar wel in de eenentwintigste eeuw.
  • Ik wil mijn afwezigheid als gids op straat compenseren door te werken aan andere vormen om onze geliefde stad te tonen aan de wereld: virtuele rondleidingen, stadsspelen, Ken-Uw-Stad-Quizzen, …
  • Ten slotte wil ik ook werk maken van een wandeling op maat van Parkinsonpatiënten. Deze Parkieswandeling kan over elk onderwerp gaan. Niet de inhoud moet aangepast worden maar de methodes.

Jo, wij hebben dus meer dan voldoende stof tot nadenken. Ik zou deze ideeën graag met jou eens aftoetsen. Beschouw dit spinsel gerust als een extra uitnodiging.

Ten slotte wil ik graag eens langsgaan op het secretariaat van de Vlaamse Parkinsonliga om ook die samenwerking eens deftig op de rails te zetten.

Meer dan plannen genoeg dus en voldoende energie om eraan te beginnen: voor wie er nog moest aan twijfelen. Ik zit weer goed in mijn vel.

Kafka in België

Opgedragen aan Koning Lucas en zijn onwaarschijnlijk grootmoedige mama en papa.

Laten we dan ook beginnen met een voorbeeld genomen uit het wondermooie verhaal van Lucas for Life. Het verhaal is wondermooi, de werkelijkheid die ik nu vertel, is daarentegen hemeltergend. Deze mensen hebben in totaal meer dan een jaar moeten wachten op twee adviezen van controleartsen: bijna een half jaar op een eerste goedkeuring om erkend te worden als “kind met een handicap”. De chemobehandeling was bijna achter de rug. En meer dan tweehonderd dagen voor de goedkeuring van de terugbetaling van een geavanceerde therapie in Duitsland.

Daar hebben de dames en heren controleartsen geen tijd voor. Ze hebben wel tijd om elk jaar de mensen op controle te sturen om te bewijzen dat een geamputeerde arm er op één jaar niet is aangegroeid of dat een chronische of erfelijke ziekte op één jaar niet miraculeus genezen is. Mevrouw de minister, zulke controleartsen kunnen we missen als de pest!

Niemand kan weten of Lucas door een snellere behandeling een dag langer zou geleefd hebben of – wat belangrijker is – een dag langer gelukkig zou geweest zijn. Ze hebben hem de kans niet gegeven en dat is een regelrechte schande in een land dat zich een welzijnsstaat durft noemen. Uit eerbied voor Koning Lucas en al zijn lotgenootjes zal ik deze schande blijven bestrijden zolang ik leef.

Als je dit weet, begrijp je ook mijn scepsis als ik onze minister van Volksgezondheid een nieuw systeem hoor aankondigen om mensen die werkonbekwaam zijn te activeren. Daarvoor zal ze een dienst oprichten met … controleartsen!

Mevrouw de minister, mijnheer de ex-minister van administratieve vereenvoudiging, beste Maggie, beste Quickie, dit systeem bestaat al! Het heet progressieve tewerkstelling maar bijna niemand kent het omdat, zoals zo vaak in dit apenlandje niet verteld wordt wat mogelijk is. Waarom een nieuw systeem – met controleartsen die controleren wat huisartsen, bedrijfsartsen, … ook en veel beter kunnen controleren – oprichten en niet het bestaande systeem vereenvoudigen en vooral veel bekender maken? En Quickie, je zou het systeem al veel vereenvoudigen door ook hier die vermaledijde controleartsen af te schaffen en de controle over te laten aan de artsen die het korst bij de mensen staan: de huisartsen. Of vertrouwen jullie je eigen huisartsenkorps niet? Maggie zal het je graag horen zeggen.

En dan is het nu tijd voor zuivere Kafka. Gelezen in een folder uitgedeeld door de mutualiteit: “rechten zijn haalbaar en niet draagbaar.” Dit is ten eerste taal die de bevolking niet begrijpt, maar dat is misschien de bedoeling want anders zouden ze weten dat dit fundamenteel onrechtvaardig is. Eerst even uitleggen in verstaanbare taal wat er staat: Je moet zelf vragen waar je recht op hebt, als je het niet vraagt, krijg je het niet.

Dit is toch fundamenteel onrechtvaardig! Rechten moet je toch niet vragen. Rechten moet je gewoon krijgen. Je moet niet vragen om onderwijs te volgen, je moet toch niet gaan vragen of je je mening mag zeggen. Rechten die je niet krijgt en moet vragen zijn geen rechten maar gunsten. Misschien zit daar het kalf wel gebonden: als de mensen hun rechten niet meer moeten vragen, kunnen politici ze niet meer geven en dan valt een deel van hun dienstbetoon weg. Want België is het enige land dat ik ken waar politici stemmen kunnen winnen door aan hun burgers te geven waar ze gewoon recht op hebben en deze volksverlakkerij heeft ook nog een mooie naam: openbaar dienstbetoon.

Ik heb ook een folder tegengekomen waarin duidelijk staat geschreven dat hij is opgesteld in “juridische” taal omdat anders de nuancering verloren gaat. Met andere woorden, onze wetten zijn te ingewikkeld om ze aan de burgers uit te leggen. Dat betekent ook dat een van de belangrijkste rechtsprincipes gewoon niet te realiseren is: “iedereen wordt geacht de wet te  kennen” of in het latijn “Nemo censetur ignorar legem” want de wetgever geeft zelf toe dat zijn wetten niet te begrijpen zijn. Dit is toch nogmaals pure Kafka. Wij worden verondersteld wetten te kennen die niet te begrijpen zijn.

Ik denk dat met bovenstaande voorbeelden de ziekte voldoende gediagnostiseerd is. De remedie is voor mij zeer duidelijk: informatie. Er zijn in ons landje al veel te veel ministers en toch zou ik willen pleiten voor een bijkomend ministerie: een ministerie van informatie. Bij elke maatregel die wordt uitgevaardigd, zou er moeten nagedacht worden welke informatie nodig is en welke informatie moet gegeven worden. In België is zeer veel mogelijk. Wij hebben een fantastisch netwerk van sociale voorzieningen, steun aan zwakkeren, … maar de mensen weten het niet. Niet omdat ze te dom zijn, maar omdat ze niet geïnformeerd worden.

Nog één voorbeeld om dit te illustreren. Alle mutualiteiten bieden gratis een dienst Maatschappelijk werk aan. Ik kan uit ervaring spreken: die doen schitterend werk. Als je door ziekte in een moeilijke situatie terechtkomt, raad ik je aan onmiddellijk met deze dienst contact op te nemen. In feite zouden deze diensten moeten overspoeld worden door werk. Ik herhaal nog eens klaar en duidelijk: deze dienstverlening is GRATIS. Ik weet dat de mutualiteiten stilletjes aan ook proactief proberen te werken en op basis van signalen, bijvoorbeeld informatie van huisartsen, wachtlijsten van rust- en verzorgingstehuizen, … proberen mensen op te sporen voor wie hun diensten nuttig zouden kunnen zijn. Maar dat is mijns inziens nog veel te weinig. Waarom zou dit gewoon niet kunnen meegedeeld worden bij betaling van het jaarlijkse lidgeld.