Wat zit er in de Parkinsonpijplijn?

De meningen over de vooruitzichten in het onderzoek naar de ziekte van Parkinson situeren zich tussen twee uitersten. Langs de ene kant heb je de extreme optimisten. Hun slogan zou kunnen zijn: “ze zullen wel iets vinden”. Aan de andere kant heb je de extreme pessimisten waarbij de idee leeft dat de ziekte ongeneeslijk was, is en altijd zo zal blijven. Ook hier ligt de waarheid ergens in het midden.

Het onderzoek naar de ziekte van Parkinson is alvast springlevend en zit op dit ogenblik in een stroomversnelling. Tot een tiental jaren geleden was dopamine de grote boosdoener en levodopa de reddende engel. Ondertussen weten we dat het dopamineprobleem zelf een gevolg is van een dieperliggend probleem en dat levodopa wel helpt maar niet geneest. Het ziet ernaar uit dat het onderzoek op het spoor zit van de echte boosdoener maar dat wil nog niet zeggen dat de oplossing voor morgen is.

Geneesmiddelenontwikkeling

Grosso modo zijn er twee wegen om tot nieuwe behandelingen te komen. Enerzijds worden bestaande therapieën getest op nieuwe toepassingen. Binnen het Parkinsononderzoek is amantadine daar een mooi voorbeeld van. Dat is oorspronkelijk ontwikkeld als een geneesmiddel tegen virussen (o.a. tegen griep) maar het blijkt bij Parkinsonpatiënten ook positieve effecten op tremor en dyskinesie te hebben. In het andere geval vertrekt men vanuit het ziekteproces en zoekt men dan naar stoffen die daarop kunnen inspelen. Laten we terug een voorbeeld uit het Parkinsononderzoek nemen: eens men wist dat een tekort aan dopamine de boosdoener was, is men gaan zoeken naar vervangende geneesmiddelen.

In beide gevallen moet een kandidaat-geneesmiddel nog een lange weg afleggen voor het bij de dokter of in de apotheek terechtkomt. Alles begint bij het preklinisch onderzoek. Daarbij worden de stoffen eerst getest op eenvoudige modellen zoals celculturen en weefsels, vervolgens op iets complexere modellen zoals fruitvliegjes of gisten en ten slotte op zoogdieren zoals ratten en apen. Wanneer een kandidaat-geneesmiddel het proefdierenstadium gepasseerd is, kan het getest worden op mensen. Het is klaar voor de drie etappes van de klinische testen.

  • In fase 1 wordt het getest op zijn veiligheid.
  • In fase 2 wordt het getest op veiligheid en effectiviteit.
  • In fase 3 wordt het getest op grote groepen mensen op verschillende plaatsen. Dit is het onderzoek waarbij beslist wordt of het geneesmiddel op de markt gebracht wordt.

In principe wordt in dit laatste stadium alleen nog gebruikgemaakt van gerandomiseerd onderzoek met controlegroep (randomized controlled trial of RCT). Bij een dergelijk onderzoek worden de proefpersonen door het lot – gerandomiseerd – in twee of meer groepen verdeeld. Een groep krijgt het te testen geneesmiddel, de andere krijgen iets anders, bij voorbeeld een placebo. Dit ziet er net hetzelfde uit – met dezelfde geur en smaak – als het “echte” geneesmiddel maar bevat geen geneesmiddel. Als het echt belangrijk is, gebeurt het onderzoek “dubbelblind”. Dat betekent dat proefpersonen noch onderzoekers weten tot welke groep een proefpersoon behoort. Zo probeert men elke vorm van beïnvloeding te vermijden.

Eens het geneesmiddel op de markt is, wordt het nog opgevolgd in een fase-4-onderzoek.

Als in een krant gewag gemaakt wordt van een mogelijk nieuw middel tegen de ziekte van Parkinson, moet je dus niet onmiddellijk naar de apotheker lopen om het te bestellen.

Prodromen

Klassiek wordt de ziekte van Parkinson verbonden aan motorische symptomen zoals traagheid, houdingsproblemen en tremor. Deze symptomen worden veroorzaakt door het verlies van dopamineproducerende zenuwcellen in de hersenen.

Ondertussen weten we dat de ziekte van Parkinson een dieperliggende oorzaak heeft: het opstapelen van het eiwit α-synucleine in zenuwcellen waardoor deze afsterven. De motorische symptomen manifesteren zich pas als ongeveer de helft van de dopamineproducerende cellen verloren zijn gegaan. Daarom concentreert een deel van het actuele onderzoek zich op het zoeken van tekens die de motorische symptomen voorafgaan en die de ziekte voorspellen. In de wetenschappelijke literatuur worden zulke tekens “prodromen” genoemd. Het prodromenonderzoek is belangrijk omdat men ermee hoopt een manier te vinden de ziekte te stoppen voordat de motorische symptomen zich manifesteren.

De internationale wetenschappelijke organisatie MDS (The International Parkinson and Movement Disorder Society) heeft acht niet-motorische symptomen als prodromen voor de ziekte van Parkinson beschreven.

  1. REM-slaap gedragsstoornis: Bij mensen met REM-slaap gedragsstoornis zijn de spieren tijdens de slaap niet of onvoldoende verlamd. Deze mensen voeren hun dromen letterlijk uit waarbij ze zichzelf of anderen kunnen verwonden.
  2. Problemen bij het ruiken: een gebrekkige reukzin.
  3. Constipatie of verstopping van de darmen wanneer het meer dan een keer in de week voorkomt.
  4. Excessieve slaperigheid overdag
  5. Symptomatische lage bloeddruk: lage bloeddruk niet veroorzaakt door geneesmiddelen bloeddrukverlagers) en niet voorkomend bij het opstaan uit bed (orthostatische hypotensie).
  6. Erectiestoornissen waarbij een medische interventie nodig is voor een normale seksuele activiteit.
  7. Plasstoornissen
  8. Depressies, vaak samengaand met angsten.

Therapeutische strategieën

Nu men weet dat α-synucleine de echte oorzaak van de ziekte van Parkinson is, wordt dit eiwit een interessant doelwit voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. α-synucleine is een lichaamseigen eiwit dat vooral voorkomt in de omgeving van de synapsen, de verbindingen tussen de zenuwcellen, in de hersenen. Over zijn precieze functie is zeer weinig gekend. Ophopingen van dit eiwit, de Lewy-lichaampjes, zijn giftig voor de zenuwcellen en zorgen ervoor dat deze afsterven. Huidig onderzoek concentreert zich op de functie van α-synucleine in normale zenuwcellen. Zo hoopt men het mechanisme van de toxiciteit uit te klaren en nieuwe therapieën te ontwikkelen die de opstapeling van α-synucleine tegengaan maar de normale functie van het eiwit behouden.

Bij immunotherapie probeert men schadelijke stoffen te neutraliseren met specifieke antilichamen. Dee techniek is te vergelijken met vaccinatie. Bij voorkeur worden monoclonale antilichamen gebruikt omdat deze alleen op een bepaalde molecule reageren. Op dit ogenblik worden de eerste klinische tests met monoclonale antilichamen tegen α-synucleine uitgevoerd.

Koffiedrinken en roken worden al langer geassocieerd met een verlaagd risico op de ziekte van Parkinson. Cafeïne en nicotine blijken inderdaad de opstapeling van α-synucleine tegen te gaan. Helaas hebben deze stoffen enkele minder fraaie eigenschappen waardoor ze ongeschikt zijn voor therapeutisch gebruik. Nu wordt gezocht naar verwante moleculen die de neuroprotectieve eigenschappen behouden maar niet de schadelijke neveneffecten vertonen.

Biotechnologie

Biotechnologie maakt gebruik van dieren, planten, bacteriën of andere levende wezens voor de ontwikkeling van medicijnen, voedsel of nieuwe stoffen. De moderne biotechnologie duwt deze technieken een eind verder: ze past de eigenschappen van bacteriën, planten en dieren aan door rechtstreeks in te grijpen op het DNA, de code van alle erfelijke informatie.

Recombinante eiwitten zijn eiwitten geproduceerd door genetisch aangepaste micro-organismen die gebruikt kunnen worden als geneesmiddel. Met deze techniek worden monoclonale antilichamen gemaakt tegen α-synucleine evenals “neurotrofe” eiwitten die cellen beschermen tegen de schadelijke werking van de Lewy-lichaampjes.

Bij gentherapie breng je een functioneel gen of een genfragment in bij een patiënt om zo fouten te herstellen of om de cel een nieuwe functie te geven. Zo probeert men bij de ziekte van Parkinson de genen te corrigeren die mee verantwoordelijk zijn voor de opstapeling van α-synucleine.

Een stamcel is een cel die zichzelf kan delen en daarnaast nog in staat is om uit te groeien (te differentiëren) tot een of meer gespecialiseerde celtypes. Op dit ogenblik wordt geëxperimenteerd met stamcellen die kunnen uitgroeien tot dopamineproducerende hersencellen die zouden kunnen ingeplant worden in Parkinsonpatiënten.

Dit biotechnologisch onderzoek biedt zeker perspectieven op lange termijn maar het zal nog jaren duren voor we resultaten mogen verwachten die de patiënt zelf kan helpen.

Levenskwaliteit

De ziekte van Parkinson is een multisysteemziekte die op verschillende vlakken de levenskwaliteit aantast. Ze heeft effect op het fysische, mentale en sociale vlak en op de rol die we spelen in de maatschappij. Ze beïnvloedt de capaciteiten, de relaties, de percepties, de voldoening en het welzijn van de patiënten. Dit wordt veroorzaakt door motorische en niet-motorische, en door psychische en fysische symptomen.

Deze globale aantasting van de levenskwaliteit vraagt een multidisciplinaire benadering van de zorg. In Nederland werd een multidisciplinaire richtlijn voor de ziekte van Parkinson opgesteld die een samenwerking tussen de volgende medici en paramedici voorstelt: apothekers, diëtisten, ergotherapeuten, kinesitherapeuten, huisartsen, klinisch geriaters, logopedisten, maatschappelijk werkers, neurologen, neurochirurgen, opticiens en oogartsen, psychiaters, psychologen, revalidatieartsen, seksuologen, specialisten ouderengeneeskunde, thuiszorgmedewerkers, urologen, verzorgenden en verpleegkundigen.

Deze multidisciplinaire aanpak blijkt ook economisch efficiënt te zijn. De implementatie van dit model in de Belgische praktijk is een grote uitdaging.

Een Reactie op “Wat zit er in de Parkinsonpijplijn?

  1. Pingback: Wat zit er in de pijplijn? — Wims Parkinson Spinsels | Boeren in Bergen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s