Categorie archief: filosofische spinsels

Gezond vertrouwen, blind wantrouwen

Beste blogvrienden,

Ik heb jullie geduld op de proef gesteld maar daar zijn goede redenen voor. Ik kom er nog wel op terug. Ondertussen ben ik weer thuisgekomen in mijn Leuven en daar voel ik me fantastisch bij.

Een aantal gebeurtenissen van de laatste maanden hebben volgens mij veel te maken met vertrouwen en wantrouwen. Die zijn dan ook de aanleiding tot dit spinsel.

Mij is al opgevallen dat er doorgaans gewaarschuwd wordt tegen “blind vertrouwen” en dat een “gezond wantrouwen” wordt aanbevolen. Ik zou deze adviezen willen omdraaien en durven pleiten voor een gezond vertrouwen en willen waarschuwen tegen blind wantrouwen.

Eerst enkele illustraties uit het leven gegrepen. De betrokkenen moeten mij vergeven dat ik hun meningen gebruik. Ik weet dat ze de allerbeste bedoelingen hebben maar te veel goede raad kan betuttelend worden.

Eerste voorbeeld: het “intakegesprek” in Dijlehof. Op het einde van het gesprek vraagt mijn broer – met de allerbeste bedoeling – of ik, indien het toch niet zou lukken zelfstandig te wonen, ook later nog terecht zou kunnen in Dijlehof. Waarom moet er hier vanuit gegaan worden dat ik zou mislukken. Ik weet dat ik kan mislukken maar ik ben ervan overtuigd dat de kans dat ik slaag veel groter is dan de kans dat ik misluk. Ik heb me ook al afgevraagd of hij al op een wachtlijst voor een revalidatiecentrum staat want als amateur-motorrijder is zijn leven ook niet zonder risico’s.

Voorbeeld twee: wanneer ik mijn broers en zussen bekend maak dat ik waarschijnlijk niet meer officieel zal gaan werken en zal kiezen voor vrijwilligerswerk, vind mijn schoonbroer het nodig mij te waarschuwen tegen mijn “bazen”, dat ze van mijn positie zouden kunnen misbruik maken. Wanneer ik hem uitdrukkelijk zeg dat die kans niet zo goed als maar volledig nihil is, is zijn reactie: “uw huidige bazen zijn misschien wel te vertrouwen maar wat als er nieuwe bazen komen.” Nu vraag ik me af of hij bij het uitoefenen van zijn huidig werk er ook rekening mee houdt dat zijn volgende baas ook wel eens een schurk kan zijn.

Beide gevallen tonen volgens mij een – ik herhaal – goed bedoeld wantrouwen dat volledig misplaatst is. In beide gevallen zijn er veel meer redenen om vertrouwen te hebben in mij en in de mensen rondom mij dan redenen om dit niet te doen. Natuurlijk bestaat in beide gevallen ook de kans dat er iets misgaat. Maar de kans bestaat ook – nee, dit is een absolute zekerheid – dat ik sterf, of zoals onze vader het zo plastisch uitdrukte: bij elk geboortekaartje hoort ook een sterfkaartje, alleen de datum moet nog ingevuld worden. Ik ga daarom niet laten van te leven. En leven is risico’s nemen. Ik zal waarschijnlijk af en toe ontgoocheld worden maar dat weegt niet op tegen de kansen die ik ook zal krijgen om zelfstandig te leven, om te zijn wie ik ben en om het leven te leiden waar ik me bij goed voel. Zonder vertrouwen zal ik enkele keren minder ontgoocheld zijn maar mis ik ongetwijfeld ook oneindig veel meer kansen te genieten van de goedheid van de medemens.

Want daar gaat het in feite om: vertrouwen en wantrouwen hangen onlosmakelijk samen met je visie op de mensen rondom jou. Wie vertrouwen heeft, gaat uit van de goedheid van de mens en wie wantrouwt, rekent op de slechtheid van de andere. Ik weet ook wel dat geen enkel mens volledig goed of volledig slecht is. Daarom spreek ik ook van gezond vertrouwen en blind wantrouwen. Gezond vertrouwen betekent voor mij uitgaan van het goede maar rekening houden met het slechte. Wie alleen wantrouwt, gaat uit van het slechte en is al gelukkig eens niet bedrogen te worden terwijl mijn ervaring is dat ik oneindig veel vaker kan rekenen op de andere dan dat ik bedrogen wordt.

Ik wil alle sceptici nog twee wijsheden meegeven die niet van mij komen maar waar ik wel voor meer dan honderd percent achter sta. De eerste is een tekst die jaren in de bureau van onze vader heeft gehangen. Ik heb hem eens cadeau gedaan met Kerstmis. Het is een vrije interpretatie van een bijbelfragment.

Die mij droeg, op adelaarsvleugels
Die mij geworpen hebt in de ruimte
En als ik krijsend viel mij ondervangen
Met uw wieken en weer opgegooid
Totdat ik kon vliegen op eigen kracht …

De tweede komt uit een lied dat ondertussen is uitgegroeid tot een van mijn favoriete liederen, zeker wat de tekst betreft. Dit mogen ze wel spelen op mijn begrafenis.

There’s no place in this world where I’ll belong when I’m gone
And I won’t know the right from the wrong when I’m gone
And you won’t find me singin’ on this song when I’m gone
So I Guess I’ll have to do it while I’m here

(Je kan het volledige lied beluisteren op https://youtu.be/S7Ae2U4S9Po.)

 

Natuur versus cultuur

De idee voor dit filosofisch spinsel ontstond toen ik deze morgen even door het venster keek. Plots was ik getuige van een scéne die zo uit een natuurdocumentaire kon genomen zijn: een roofvogel hield een prooivogel onder controle tussen zijn klauwen. Ik vroeg me even af of ik dit nu mooi en/of wreed moest vinden. Als ik er wat langer bleef bij stilstaan, besefte ik dat dit een typische antropocentrische vraag is: ik bekeek de natuur met “culturele” ogen. Mooi, lelijk, lief, wreed… zijn typisch menselijke etiketten die wij op de natuur plakken. Dit deed me verder nadenken over de relatie tussen cultuur en natuur en zoals zal blijken, bracht deze gedachtestroom mij zelfs bij Parkinson.

Laten we de gedachtestroom volgen zoals die bij me opkwam en beginnen bij de beginvraag: was ik getuige van een mooie of van een wrede scène? In een eerste reactie zullen de mensen dit een wrede scène vinden maar objectief gezien is dit al een partijdig standpunt want we kiezen al partij voor één van de twee strijdende partijen: niet toevallig voor het slachtoffer in deze strijd. Is het partij kiezen voor het slachtoffer geen algemeen menselijk standpunt dat in feite ingaat tegen de universele natuurwet: het recht van de sterkste. Deze natuurwet wordt zeker in onze westerse cultuur als wreed en zelfs onmenselijk aangevoeld. Ik vermoed dat dit aanvoelen grotendeels verklaren waarom velen zich ongemakkelijk voelen bij de evolutietheorie van Darwin.

Als je de evolutietheorie simplistisch voorstelt en dit dan bekijkt vanuit een menslievend standpunt bekijkt, komt ze inderdaad als wreed en egoïstisch over: de sterkste overleeft. In mijn ogen maken we hier een fundamentele denkfout. We proberen natuurwetten te evalueren vanuit een cultureel standpunt en dit is even dom als het menselijk gedrag te willen evalueren op basis van de natuurwetten. Dit is een bedenking die ik wel meer maak als ik bepaalde wetenschappers-wetenschapsjournalisten hoor uitleg geven over het gedrag van dieren. Ik denk dat het even dom is de evolutietheorie te gebruiken als basis voor een morele code als de Bijbel te gebruiken om de natuurwetten te verklaren.

Natuur en cultuur worden hier wel als twee verschillende delen van de “wereld” voorgesteld maar dat betekent geenszins dat dit twee gescheiden werelden zijn. Natuur en cultuur zijn twee delen van de werkelijkheid die elkaar beïnvloeden. De volgende voorbeelden illustreren deze interacties.

Eerst een paar voorbeelden die aantonen dat de cultuur beïnvloed wordt door de natuur.

Suiker is niet toevallig zoet en kinine niet toevallig bitter. De smaak(van voedingsproducten) is in feite niets anders dan een gewaarwording van een chemische interactie tussen een voedingsstof en receptoren en de eerste functie van het smaakzintuig is het beschermen van het individu tegen gevaarlijke stoffen. Daarom moesten gevaarlijke stoffen als onaangenaam aanvaard worden en nuttige stoffen als aangenaam. Daarom zijn suikers zoet, de aangename smaak bij uitstek en zijn vele gifstoffen bitter. Later is de mens in zijn culturele ontwikkeling dit ruwe schema gaan verfijnen en relativeren maar in oorsprong is de smaak een eenvoudig natuurlijk systeem gebaseerd op een in de natuur wijdverspreid mechanisme: de chemoreceptor.

Wij werken niet toevallig met een tientallig rekenstelsel. Ik ben ervan overtuigd dat wij met een tientallig stelsel werken omdat we nu eenmaal tien vingers hebben. Als de mens vier vingers aan één hand zou gehad hebben, is de kans zeer groot dat we zouden gewerkt hebben met een achttallig stelsel, wat in feite universeler is als het tientallig, want acht is een macht van twee en dat is het eenvoudigste en dus ook het meest universele talstelsel.

Maar de cultuur heeft ook de natuur beïnvloed. Denken we alleen maar aan de verschillende voorbeelden van dieren die hun gedrag hebben aangepast aan de menselijke aanwezigheid. Dan denk ik zowel aan huisdieren als aan ongedierte: nuttige of schadelijke dieren, natuurlijk geoordeeld vanuit het standpunt van de mens.

Er zijn ook veel voorbeelden te geven van situaties waarbij de mens verantwoordelijk is voor een ingrijpende verandering in de verspreiding van de soorten. Denken we dan bij voorbeeld maar aan het importeren van de Amerikaanse eik en het effect daarvan op de spreiding van de eigen inlandse eikensoorten. In de dierenwereld zijn er situaties waarbij de mens gezorgd heeft voor het verdwijnen van een soort, een zeer gekend voorbeeld is de dodo, en situaties waarbij de mens precies gezorgd heeft voor een plaag, denken we dan maar aan de rattenplaag in de Middeleeuwen.

Natuur en cultuur zijn dus twee aspecten van eenzelfde werkelijkheid met aparte wetten. Er is dus niets mis met sympathie te betonen voor de zwakkere. Dat is een zeer menselijke en daarom ook een zeer positieve waarde. Daarom ook vind ik dat het ethisch niet fout is dierenlevens op te offeren voor het welzijn van de mens, tenminste als dat leed niet te vermijden is. Ook in de natuur toont de ene soort geen medelijden met de andere. Denken we maar aan de roofvogel en zijn prooi bij de aanvang van dit spinsel. Mensen van Gaia moeten zich misschien eens afvragen of hun leider nog zou leven indien er geen dierenproeven waren uitgevoerd. Mijn boodschap is: “Laten we als mensen goed zijn voor elkaar en zo goed mogelijk voor de natuur, en laten we de natuur natuur zijn.”

Wat is culltuur? Wat is de mens?

Voor alle duidelijkheid, ik gebruik het begrip “cultuur” hier in zijn breedste betekenis: alles wat het resultaat is van menselijk bewust handelen. De vraag wat cultuur is, komt dus neer op de vraag wat de mens is. Het antwoord op die vraag zit volgens mij al in de gebruikte definitie van cultuur. Het is één woord: bewust(zijn), eventueel te specificeren tot zelfbewustzijn.

Bewustzijn betekent dat je als mens zelf keuzes kan maken. Dat kunnen andere dieren niet, andere dieren voeren programmaatjes uit. Als dat erfelijk ingebakken programma’s zijn, spreekt men van instincten, als dat extern ingevoerde programma’s zijn, spreekt men van conditionering, maar zelf bewuste keuzes maken kan een ander dier niet.  Als er in de natuur keuzes moeten gemaakt worden, geldt de wet van de willekeur, de wet van het toeval. De natuur dobbelt, de mens kiest.

De mens kan als enig dier bewust kiezen tegen de willekeur in, voor wat hij goed, waardevol, belangrijk… vindt. Dit is voor mij dan ook de essentie van vrijheid: zelf kunnen kiezen. Zelf kiezen om goed te doen, zelf kiezen om tegen het recht van de sterkste in te gaan, zelf kiezen om de zwakke te helpen…

Deze vrijheid heeft ook zijn consequenties: als we vrij kunnen kiezen, zijn we zelf ook verantwoordelijk voor deze keuze. Daar ligt ook de waarde van deze vrijheid in: wij kunnen niet alleen zelf zeggen wat we willen, wij kunnen ook zeggen waarom. Wij kunnen zelf bepalen wat we belangrijk vinden, wat we waardevol vinden. Als er geen waarom is, is er in feite willekeur en is er ook geen sprake van een bewuste keuze.

Natuurlijk is deze vrijheid begrensd. De medemens, individueel of in groep, kan grenzen aan deze vrijheid vastleggen – de vrijheid van de ene eindigt waar de vrijheid van de ander begint – en ook de natuur zal deze vrijheid beperken. Als de natuur de vrije wil beperkt, gelden weer de natuurwetten: het recht van de sterkste en/of de willekeur. Ziekte kan zo een willekeurige factor zijn. Ziekte kan ook een gevolg zijn van menselijk handelen maar vaak is het niet zo. Er zijn ziektes die je “krijgt” zonder reden. Je krijgt ze bij wijze van spreken omdat iemand ze moet krijgen. Verschillende besmettelijke ziektes (mazelen, pokken, griep…), kinderkanker, ziekte van Parkinson… zijn maar enkele voorbeelden. In dat geval is er ook niemand verantwoordelijk en moeten er ook geen zondebokken gezocht worden, niet onder de mensen maar ook niet daarbuiten. Niemand kiest wie er Parkinson krijgt, ook God of de Duivel niet. Als de natuur toeslaat, is niemand verantwoordelijk.

Mensen zijn wel verantwoordelijk voor de manier waarop ze met hun medemensen omgaan, en dan in het bijzonder met de zwakken en de gekwetsten. Mensen kunnen bewust kiezen niet toe te geven aan het recht van de sterkste en andere waarden als norm gebruiken. Er i niets mis mee het belang van de opvoeding van kinderen te laten primeren op het belang van de economie, er is ook niets mis mee om als je kind kanker heeft, elke dag te vechten voor een menswaardig leven ook al is het terminaal en weet je dat de strijd vanuit darwinistisch standpunt hopeloos is. De mens kan hier zelf beslissen dat elke dag langer leven meer waarde heeft dan een reis, een auto, een huis…

Die vrije keuze is voor mij de basis van echt menselijk geluk. Echt geluk is zelf kunnen kiezen wat je belangrijk vindt, zelf kunnen kiezen waarvoor je wil leven, kiezen voor een leven dat de moeite waard is. Voor mij is dit geluk de basis voor wat ik goed en slecht vind. Goed zijn betekent mensen meer mogelijkheden geven de waarden te kiezen die zij belangrijk vinden en hen meer kansen geven om voor deze keuzes te leven.

Als de natuur mij belemmert het leven te leven dat ik waardevol vind, dan ben ik fundamenteel ongelukkig. Gelukkig zijn er dan mensen die mij ondersteunen, die ervoor zorgen dat ik nieuwe doelen kan vastleggen, dat ik opnieuw iets vind dat waardevol is. Als ik dat niet meer kan, als ik niet meer bewust kan kiezen wat ik belangrijk genoeg vind om voor te leven, dan verlies ik mijn menselijke waardigheid. Dan is de mens Wim Van Isterdael verleden tijd.

Dit lijkt allemaal vergezocht maar het is soms concreter als je zelf zou denken. Ook deze blog is voor mij een manier om het leven te leven dat ik belangrijk vind. Ik ben er – precies door de ziekte van Parkinson – nog meer van overtuigd dan vroeger dat meer informatie een mens beter kan maken. Ik wil dan ook blijven proberen om mensen informatie te geven zodat zij bewuster kunnen kiezen waarvoor zij willen leven. De manier waarop ik dit doel probeer te realiseren, heb ik wel moeten aanpassen aan de limieten die de natuur, geconcretiseerd in de gestalte van Parkinson, mij oplegt. Ik heb de indruk dat ik met deze blog een geschikt medium gevonden heb om deze doelstelling te realiseren.

In dit spinsel hebben we draden getrokken tussen een aandoenlijke natuurscène en de vrijheid. Ook andere thema’s die tot nadenken stemmen, werden aan ons spinsel verbonden. Dit spinsel is gebaseerd op wetenschappelijke kennis die – tegen mijn principes in – niet geverifieerd is. Zij komt rechtstreeks uit de kennisbank tussen mijn twee oren. De filosofische ideeën zijn persoonlijke interpretaties van wat ik ooit wel ergens gehoord of gelezen heb. Ik heb allerminst de pretentie een coherent denksysteem te ontwikkelen. Alle wetenschappelijke en/of filosofische correcties zijn van harte welkom. Het was allerminst mijn bedoeling jullie mijn wijsheid op te dringen. Als ik jullie maar eventjes bij deze onderwerpen heb doen stilstaan, ben ik al in mijn opzet geslaagd.

Wees informatievaardig

In dit spinsel spin ik draden tussen mijn professionele activiteiten van in het begin van mijn loopbaan in de universiteitsbibliotheek en mijn huidige situatie waarbij ik in de rol van patiënt gedwongen ben. Tegelijk wil ik een begrip dat zeer belangrijk voor mij is, in een bredere context plaatsen dan die waar hij meestal in geplaatst worden. Voor mij zijn informatievaardigheden ook zeer relevant buiten de bibliotheekwereld waar het begrip soms gezien wordt als een trendy synoniem voor biblliotheekinstructie. De woordkeuze is misschien niet ideaal maar aangezien ik de lading belangrijker vind dan de vlag, ga ik deze semantische discussie niet aanwakkeren en hou ik het bij de algemeen aanvaarde benaming in het Nederlands.

In de Engelse vakliteratuur is de term “Information Literacy” algemeen aanvaard. Vandaar dat in het Nederlandse taalgebied steeds vaker “Informatiegeletterdheid” opduikt. De term “geletterdheid” en zeker de Engelse equivalent “literacy” leggen de sociale dimensie van informatievaardigheden bloot. Dit wordt nog duidelijker als we de het koppelen aan het antoniem “illliteracy” in het Engels, “analfabetisme” in het Nederlands.

Het is duidelijk dat mensen meer moeten kunnen dan lezen en schrijven om in deze informatiemaatschappij te kunnen functioneren. De definitie van geletterdheid komt meer en meer in de buurt van die van informatievaardigheden. Op de website van het “Plan Geletterdheid Verhogen”, een initiatief van de Vlaamse Overheid, wordt geletterdheid gedefinieerd als: “de competenties om informatie te verwerven, te verwerken en gericht te gebruiken. Dit betekent met taal, cijfers en grafische gegevens kunnen omgaan en gebruik kunnen maken van ICT”. In de volgende toevoeging wordt de relevantie van geletterdheid geaccentueerd: “Geletterd zijn is belangrijk om zelfstandig te functioneren en participeren in de samenleving en nodig om zich persoonlijk te kunnen ontwikkelen en bij te kunnen leren.”

Om het begrip Informatievaardigheden te situeren in het kader van gezondheid en de medische informatie, twee onderwerpen die mij in de huidige omstandigheden nauw aan het hart liggen, geef ik nog eens drie definities. Om de raakpunten te beklemtonen heb ik het kernbegrip telkens vervangen door drie kruisjes.

  1. xxx is die combinatie van competenties die iemand nodig heeft om te onderkennen wanneer hij informatie nodig heeft, en waarmee hij in staat is de benodigde informatie op te sporen, te evalueren en effectief en zorgvuldig te gebruiken.
  2. xxx zijn de vaardigheden van individuen om informatie over gezondheid te verkrijgen, te begrijpen, te beoordelen en te gebruiken bij het nemen van gezondheidsgerelateerde beslissingen.
  3. xxx is het expliciet, oordeelkundig en consciëntieus gebruikmaken van het beste beschikbare bewijs bij het maken van een keuze voor de behandeling van een patiënt. Dit alles gegeven de stand van de (medische) wetenschap van dat moment.

In de drie definities zie ik de volgende drie zaken terugkomen: informatie opsporen, evalueren en gebruiken. Ligt dit niet zeer kort bij de eerder vermelde definitie van geletterdheid? Ik hoop dat ik daarmee de relevantie van dit thema heb kunnen aantonen. (In definitie 1 staan de drie kruisjes voor informatievaardigheid, in definitie 2 voor gezondheidsvaardigheden en in definitie drie voor evidence-based medicine)

Ik heb zelf ondervonden dat informatievaardigheden wel degelijk belangrijk zijn voor patiënten, zeker voor (jonge) Parkinsonpatiënten. Ik wil hier drie situaties schetsen waarbij informatievaardigheden een rol spelen. Je zou het ook drie lessen voor de toekomst noemen maar in feite gaat het om één les met drie casussen en de titel van de les is “Wees Informatievaardig”.

Een eerste situatie heeft te maken met het maken van ingrijpende beslissingen. In de loop van het ziekteproces kan je op bepaalde momenten beslissingen moeten nemen die zwaar ingrijpen op je verder leven. Bij Parkinson is dat bij voorbeeld de beslissing om een chirurgische behandeling te onderzoeken en eventueel uit te voeren: de vraag DBS ja of nee (DBS Staat voor “deep brain stimulation of Diepe hersenstimulatie. Ik ben van mening dat je deze beslissing het beste neemt op basis van wetenschappelijke informatie. Ik ondervind ook druk vanuit de naaste omgeving waartegen je je ook kunt wapenen door je goed te documenteren. Ik vind het trouwens ook een taak van de arts om de patiënt uit te leggen hoe deze informatie tot stand komt. Ik leg later nog wel eens uit welke beslissing ik genomen zal hebben en hoe ik daartoe zal gekomen zijn.

Een tweede situatie waarbij je informatievaardigheden kunt gebruiken, zijn de alledaagse taferelen waarin je goedbedoeld gewezen wordt op wat ze zogezegd gevonden hebben en de klassieke dooddoener: “in tien jaar kan veel” of “ze zullen wel iets vinden”. Ik raad alle patiënten zich hiertegen met informatievaardigheden en kritisch denken te wapenen. Vooral de populaire media: radio, televisie, krant, … en ook het internet zijn regelmatig de bron van informatie waarvan de wetenschappelijke waarde op zijn minste dubieus genoemd kan worden. Let op: het internet is tegelijk ook de oplossing van het probleem. Het internet is niet goed of slecht an sich. Ik raad je aan om zo veel mogelijk de bron van de informatie na te gaan. Als er verwezen wordt naar een wetenschappelijke studie, ga je best op zoek naar het oorspronkelijk onderzoeksartikel. Als dat niet mogelijk is, controleer dan in ieder geval de autoriteit van de auteur en staar je daarbij niet blind op een aanroeptitel. Professoren zijn niet alwetend. En informatie is nooit waar alleen omdat een bepaald iemand het gezegd heeft. Daarom herhaal ik het: blijf steeds kritisch denken.

Kritisch denken (Critical Thinking) is op zich geen informatievaardigheid maar is er wel zeer verwant mee. Op de website kritischdenken.nl worden de kenmerken van kritisch denken samengevat in 12 denkvaardigheden. Ik kies er één uit: evalueren van vooronderstellingen, van de betrouwbaarheid van informatiebronnen en van de betrouwbaarheid van conclusies.

Dit laatste is ook aan de orde bij het derde advies: laat je goed omringen, zoek mensen die je kunnen helpen. Meestal kunnen deze mensen je vooral helpen met informatie en kun je hen beschouwen als informatiebronnen. Dan zijn het zoeken van de juiste mensen en hen kritisch blijven evalueren wel degelijk “informatievaardigheden”. Dat zoeken naar goede informanten is niet alleen op medisch of wetenschappelijk vlak nuttig. Zo heb ik zeer veel gehad aan het advies contact te zoeken met de dienst maatschappelijk werk van de mutualiteiten. Deze dienstverlening is gratis. Dat niet meer mensen dat weten, is op zich aanleiding voor een andere discussie, die ik in een later spinsel wel eens zal inzetten.

Ik denk dat we als conclusie kunnen stellen dat vooral het duo Kritisch denken en Informatievaardgheden samen een belangrijk wapen zijn tegen de gevaren van te weinig informatie en/of slechte informatie (wat in feite een contradictio in terminis is), waarbij kritisch denken een grondhouding zou moeten zijn en informatievaardigheden een hulpmiddel, een “techniek” om die te realiseren.

Lessen van een parkinsonpatiënt

Een mens vraagt zich soms wel af: waarom ik. Waarom moet mij dit nu overkomen? Waarom moet ik nu Parkinson krijgen? In feite zijn dit even zinnige – of even zinloze – vragen als: waarom ik niet. Waarom ben ik normaal? Waarom heb ik nog geen ongeluk gehad? Want een mens is zo complex dat het al een wonder is dat er niets verkeerds loopt.

Ik heb ondertussen geleerd niet te zoeken naar het antwoord op de waarom-vraag. Dat is vragen naar de oorsprong van een situatie en voor mij is dat zinloos omdat je dat toch niet meer kan veranderen. Ik wil mijn energie liever steken in de vraag naar de toekomst toe: hoe ga ik dit nu aanpakken? Wat kan ik er mee doen?

Je zou kunnen stellen dat deze blog ontstaan is als antwoord op de bovenstaande vragen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het zaad van deze spinsels gegroeid is op de op het eerste zicht zinloze akker van mijn Parkinsonziekte want ik heb ondervonden dat je vanuit een donkere situatie vaak een andere kijk op de werkelijkheid krijgt. Sommige dingen waaraan je voordien veel belang hechtte worden zeer relatief en dingen waar je aan voorbijliep worden ineens zeer belangrijk.

Ik heb uit deze ervaring lessen getrokken en die lessen wil ik voor jullie graag eens samenvatten. Sommige lessen heb ik zelf ondervonden, andere warden mij doorgegeven door collega’s. Oorspronkelijk had ik er een tiental maar als ik even doordacht, kon ik ze reduceren tot drie. Alle andere kon ik terugbrengen tot een van de drie basisstellingen of een combinatie ervan. In feite biedt elk van de drie lessen voldoende stof om een volledig spinsel rond te breien – en dat komt er waarschijnlijk ook wel eens van – maar ik beperk me vandaag tot een korte omschrijving van de “les” en hoe ze relevant wordt in mijn situatie. Zoals de Wet van Murphy verschillende afgeleiden heeft, zo geef ik ook enkele afgeleiden van mijn “levenslessen”.

Ik zou gemakshalve kunnen spreken van de wetten van Parkinson, maar die bestaan al. De meest gekende is de trivialiteitswet van Parkinson die stelt dat “de hoeveelheid tijd die in vergaderingen wordt besteed aan een onderwerp, omgekeerd evenredig is met de hoeveelheid geld die ermee gemoeid is.” De wet heeft niets met de ziekte te maken zoals de auteur van de wet niets te maken heeft met de arts die de ziekte voor het eerst beschreef.

De eerste “les” ligt verrassend dicht bij mijn activiteiten.

Wees informatievaardig.

Sommigen zullen verrast zijn dit woord in deze context te zien opduiken en zullen me een zekere vorm van vakidiotie toeschrijven maar voor mij werd dit abstract begrip zeer concreet. Wij zullen nog werk hebben.

“Iemand is informatievaardig indien hij in staat is een informatiebehoefte te onderkennen, deze informatiebehoefte om te zetten in een zoekvraag, vervolgens de relevante informatiebronnen kan kiezen en raadplegen, de hiervoor benodigde informatietechnologie beheerst en vervolgens in staat is de gevonden informatie te selecteren, te evalueren, te gebruiken en zo nodig verder te verspreiden. Daarbij komt dat ervan uitgegaan wordt dat iemand in staat is dit op een effectieve wijze te doen.”

Deze definitie komt uit het boek “Informatievaardigheden” van Boekhorst, Koers en Kwast.

Voor mij is een informatievaardige patiënt iemand die weet dat hij informatie nodig heeft, die die informatie gaat zoeken bij betrouwbare mensen en in betrouwbare documenten, die die informatie altijd kritisch blijft benaderen, wat de bron ook is, die vooral erg kritisch omgaat met de informatie op het internet en die uit deze informatie de juiste conclusies trekt. Dat laatste betekent onder andere: speel zelf geen doktertje en laat je niet overdonderen door zogenaamde “gezonde” en “ongezonde” levenswijzen.

Een tweede les is meer filosofisch van aard:

Herinner je gisteren, droom van morgen, leef vandaag.

In Nederland is er zelfs een Facebookpagina die deze slogan als inspiratiebron gebruikt. Voor mij bevat hij een perfecte combinatie van optimisme, positivisme en realisme. Dit is ook de echte boodschap achter “Pluk de dag” zoals je kunt lezen in deze vertaling van Horatius’ gekende (?) gedicht.

Tracht niet te achterhalen (dat brengt ongeluk) welk einde jou
en mij de goden hebben toebedeeld, Leuconoë, vertrouw
geen horoscopen. Beter is het wat gebeurt te ondergaan.
Of Jupiter nog vele winters biedt dan wel de laatste aan
de rand van de Tyrrheense Zee op de verweerde rotsen stuk
laat slaan, geniet en zeef de wijn, besnoei de hoop op lang geluk
binnen een kort bestek. Terwijl wij staan te spreken, vlucht vol spijt
het leven. Pluk de dag, verwacht maar weinig van de morgentijd.

Vertaling: Paul Claes

Dit is voor mij ook de boodschap in de volgende verrassend Epicuristische zin uit het Evangelie:

“Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.” (Matteus, 9, vers 34)

Ik herken ook dezelfde boodschap in deze songtekst van Phil Ochs

There’s no place in this world where I’ll belong when I’m gone
And I won’t know the right from the wrong when I’m gone
And you won’t find me singin’ on this song when I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

And I won’t feel the flowing of the time when I’m gone
All the pleasures of love will not be mine when I’m gone
My pen won’t pour out a lyric line when I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

And I won’t breathe the bracing air when I’m gone
And I can’t even worry ‘bout my cares when I’m gone
Won’t be asked to do my share when I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

And I won’t be running from the rain when I’m gone
And I can’t even suffer from the pain when I’m gone
Can’t say who’s to praise and who’s to blame when I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

Won’t see the golden of the sun when I’m gone
And the evenings and the mornings will be one when I’m gone
Can’t be singing louder than the guns when I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

All my days won’t be dances of delight when I’m gone
And the sands will be shifting from my sight when I’m gone
Can’t add my name into the fight while I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

And I won’t be laughing at the lies when I’m gone
And I can’t question how or when or why when I’m gone
Can’t live proud enough to die when I’m gone
So I guess I’ll have to do it while I’m here

Vandaag leven en dromen van morgen gaan perfect samen. Vandaag leven betekent voor mij niet wachten met het realiseren van je dromen. Begin vandaag te werken aan de dromen van morgen. Ook naar het verleden kan je kijken met een blik op morgen. Dat doe je door te kijken met een positieve bril, een bril die je laat zien wat je nog kunt en die niet uitvergroot wat je niet meer kunt.

In feite is deze blog een perfecte veruiterlijking van de manier waarop ik deze les probeer toe te passen in mijn situatie. Deze blog is ook de concretisering van de derde les, de les die mij het nauwst aan het hart ligt en ook een les waaraan je liever vandaag dan morgen begint:

Koester je vrienden.

Ik ben een fan van Facebook maar het zijn niet die vrienden die je moet koesteren. Het zijn de mensen met wie je elke dag samenleeft, met wie je samen lacht en samen huilt, de mensen die elke dag naast je staan.

Veel verduidelijking is hierbij niet nodig. Zo is deze wet dan toch een variant op een wet van Parkinson, de hierboven vermelde trivialiteitswet.

Misschien nog één raad: wacht niet tot jij hen nodig hebt of zij jou nodig hebben.