Een toekomst voor Leuven+

Het zomerseizoen is goed op gang gekomen met de bijhorende zomerwandelingen en dat is een goede gelegenheid om eens na te denken over de toekomst van Leuven+. Daarom ben ik eens gaan grasduinen in de tekstjes die ik als voorwoord geschreven heb voor de LGB-krant toen die nog bestond. Ik ben daar gestoten op een paar teksten die nog altijd verrassend actueel zijn en aangezien ik in tegenstelling tot bepaalde politici mijn mening niet laat afhangen van het moment, sta ik nog altijd achter alles wat ik geschreven heb. Daarom lees je hieronder enkele fragmenten met waar nodig een korte duiding.

De eerste tekst heb ik niet zelf geschreven maar is geschreven door de pioniers van de Leuvense Gidsenbond. Je kon die tekst lezen op twee borden in de gang van het toenmalige gidsenhuis.

Doel van de L.G.B.

  1. de toeristische gidsen van Leuven te verenigen en hun belangen te verdedigen, hun vervolmaking na te streven door informatie en documentatie.
  2. ten dienste staan van
    • het ontvangst: scholen, groepen en verenigingen,
    • de stedelijke dienst van toerisme, de V.V.V.
      • door het organiseren van Ken Uw Stadwandelingen, zomerwandelingen, museumbezoek,
      • om medewerking te verlenen aan bijzondere initiatieven: Open Monumentendag, tentoonstellingen, boottochten.
  1. het toerisme mee helpen uitbouwen
    • door Leuven als kunst- en toeristische stad te belichten en propaganda te maken,
    • door te ijveren voor de revalorisatie van het kunst- en architecturaal patrimonium.
  2. de studie van Leuven te bevorderen door
    • het inrichten van voordrachten over kunst en geschiedenis,
    • de uitbouw van een documentatiecentrum in een gerestaureerd lokaal “Den Horen”

Het gerestaureerd lokaal zijn we kwijt en de Ken-Uw-Stad- en zomerwandelingen doen we niet meer “ten dienste van de stedelijke dienst toerisme”.

 

Ook zoveel jaren geleden werd er al gedroomd van een toekomst. Ik blijf in feite nog altijd hetzelfde dromen.

Waar ik van droom

Ik droom van een groep enthousiastelingen – enthousiast over Leuven – die hun enthousiasme willen overbrengen aan anderen – Leuvenaars en toeristen.

Ik droom dat ikzelf nog altijd gebeten ben door de Leuvense cultuur en geschiedenis – in de brede zin van het woord – en dat ik dat nog altijd kan overbrengen aan bezoekers van Leuven en Leuvenaars. Ik hoop dat toeristen dan nog steeds kunnen zeggen: “We zien dat je het (= gidsen) graag doet.”

Ik hoop dat ik mijn kennis van Leuven binnen vijf jaar nog altijd kan ten dienste stellen van de Leuvense gidsenbond.

Ik weet dat een grote Vlaamse auteur ooit gezegd heeft: “tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.” In mijn geval zijn die “praktische bezwaren” van medische aard maar dat houdt mij niet tegen te blijven dromen en zo lang als ik kan, zal ik blijven proberen deze dromen te realiseren. En als ik het niet meer kan, hoop ik dat er nog gidsen zijn die mijn dromen delen en ze willen omzetten in daden.

Ook achter de volgende adviezen sta ik nog volledig achter. Het enige wat hier moet aangepast worden is de benaming “Koninklijke Leuvense Gidsenbond” die kan veranderen in Leuven+.

Een toekomst voor de Koninklijke Leuvense Gidsenbond

Ik ben er rotsvast van overtuigd dat er voor de Koninklijke Leuvense Gidsenbond nog een toekomst is in een “vrijgemaakte” toeristische markt. De VRT is ook niet verdwenen met de komst van de VTM. Ze is er volgens sommigen zelfs sterker uitgekomen. Dat betekent zeker niet dat we op onze lauweren kunnen rusten. Als we voor de LGB een toekomst willen, zullen we er zelf moeten aan werken.

Ik zou mijn visie willen verwoorden in drie aandachtspunten voor de toekomst. Ik zal ze verwoorden als adviezen voor de Koninklijke Leuvense Gidsenbond.

 

  1. We moeten zorgen voor inhoudelijke kwaliteit.

We moeten blijven werken aan inhoudelijk sterke rondleidingen die meer zijn dan twee uur leuk amusement. Ik ben ervan overtuigd dat er altijd een publiek zal zijn dat ook iets nieuws wil opsteken over Leuven.

  1. Wij moeten onszelf blijven.

We moeten in de eerste plaats blijven doen waar we goed in zijn en niet proberen de concurrentie te imiteren. Het origineel is altijd beter dan de imitatie. Het publiek moet weten wat ze van ons kan verwachten: een aangename én interessante wandeling (fietstocht of rondrit) waarbij het iets hoort, ziet of voelt wat het nog niet kende.

  1. Wij moeten onze relaties blijven verzorgen.

Een belangrijke troef van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond is het woordje “Leuvense” in onze naam. Wij moeten er alles aan doen om een goede relatie met de stad, de universiteit, de musea, …te onderhouden. Daardoor kunnen we het publiek zaken tonen die het anders niet zou zien. Door onze lokale verankering zijn we ook de natuurlijke parter voor de Leuvense socioculturele verenigingen. We moeten er alles aan doen om deze relaties te behouden en nog te versterken.

 

Als we ons met ons allen blijven inzetten voor de Koninklijke Leuvense Gidsenbond en voor de mensen die we ontvangen, geloof ik in een boeiende toekomst voor onze vereniging, ook al komen er grote uitdagingen op ons af.

 

Ten slotte heb ik ook nog deze korte tip teruggevonden.

Ik heb nog een boodschap aan alle gidsen die zich actief inzetten. Laten we allemaal ophouden te praten over “wij” en “zij” en laten we allemaal samenwerken aan één Leuvense Gidsenbond. De buitenposten geven het goede voorbeeld.

Ik ben terug

Een positief spinsel op verzoek

Op verzoek wordt dit een spinsel waarin ik mij niet ga kwaad maken. Voor alle duidelijkheid, om het met de woorden van Johan Verminnen te zeggen: “Ik voel me goed”. De kwaadheid in vorige spinsels is dus geen uiting van mijn persoonlijke gemoedstoestand maar veeleer een uitdrukking van mijn persoonlijke betrokkenheid. In mijn kwaadheid viseer ik altijd systemen. Als ik daarbij per ongeluk ook mensen geraakt heb, en iemand zich ook persoonlijk gekwetst voelt, wil ik me daarvoor oprecht verontschuldigen.

Maar deze keer verder geen geklaag. Trouwe lezers – ik blijf me verbazen waar jullie allemaal vandaan komen – kennen mijn manieren om op een positieve manier uit te drukken dat ik me goed voel: danken en mijn plannen bekend maken. Door te danken wil ik vooral uitdrukken dat mijn goed voelen niet alleen mijn verdienste is maar dat dit pas mogelijk is met de hulp van velen. Aangezien ik niet altijd iedereen kan bedanken, moet ik vaak een keuze maken. Om weer een aantal misverstanden de wereld uit te helpen, wil ik hier mijn oprechte dank uitspreken voor iedereen die daar recht op heeft maar die nog niet vernoemd is.

Deze keer gaat mijn aandacht en dank uit naar mensen in het Leuvense. Zij zorgen er vooral voor dat ik me hier in Leuven echt thuis voel. Dezelfde trouwe lezers zullen ook weeral doorhebben welke groepen ik bedoel. Zo worden deze spinsels wel zeer voorspelbaar.

Mijn eerste pluim van de dag (van de week, van de maand, van het jaar, lifetime achievement) gaat nog maar eens naar al mijn collega’s van 2Bergen: en ik bedoel hier letterlijk alle collega’s: van Gasthuisberg en van Arenberg, mijn oude en mijn nieuwe bazen, degene waarmee ik al jaren samenwerk en de kakelverse collega’s, vaste medewerkers en vrijwilligers, informatiespecialisten, medewerkers van de publieke diensten en “motorrijders”, collega’s die ik altijd zie en zij die ik bijna altijd mis, en zij die ik nog niet vernoemd heb, maar toch mijn collega’s zijn: jullie zijn allemaal fantastisch. Als er nog eens een prijs wordt gegeven aan de beste werkomgeving, nomineer ik jullie onmiddellijk. De manier waarop ik zelfs na een jaar afwezigheid telkens weer begroet word – door iedereen, zonder uitzondering – is echt hartverwarmend.

Ik zal mijn “bazen” ook eeuwig dankbaar voor de manier waarop ik bijna geruisloos uit het beroepsleven ben kunnen stappen, zonder enige druk. Ik heb alle beslissingen zelf kunnen nemen. En ik blijf het herhalen: Hilde, jouw “Fuck the system” (“Dat is voor ons de beste optie maar die wil ik niet”) vergeet ik nooit.

Laat nog een ding duidelijk zijn, deze collega’s wil ik niet kwijt. Zolang ik nog in Gasthuisberg en Arenberg geraak, kom ik jullie regelmatig opzoeken en weiger ik te spreken van ex-collega’s.

Dezelfde superlatieven kunnen bovengehaald worden voor de tweede groep die ik hier nog eens in de bloemetjes wil zetten: alle collega’s gidsen van Leuven+. Zij hebben er in ieder geval voor gezorgd dat ik me onmiddellijk in Leuven heb thuis gevoeld. Ik was nog maar net in Leuven gearriveerd en ik werd al een hele Erfgoeddag op sleeptouw genomen. Gewoonweg zalig was dat. Het was onmiddellijk duidelijk: hier ben ik thuis, hier ga ik niet meer weg! Dat gevoel wordt alleen maar sterker bij elke ontmoeting. Jullie doen me een jaar afwezigheid gelijk vergeten alsof ik nooit ben weggeweest.

Uit mijn plannen zal wel snel blijken dat ik Leuven+ ook niet vergeten ben. Ik zit nog vol ideeën voor onze Leuvense Gidsenbond. Eigen aan een Parkinsonpatiënt is het feit dat geen enkel plan definitief is. Je leert te leven met omstandigheden die je dwingen plannen aan te passen. De richting die je uit wil blijft dezelfde maar je past de weg wat aan. Dit geldt zeker ook voor wat volgt.

De plannen die ik wil voorstellen, situeren zich op twee niveaus. Een eerste reeks situeert zich volledig in Leuven en hebben te maken met Leuven+.  Een tweede reeks heeft te maken met mijn activiteiten voor de Vlaamse Parkinsonliga. Om de voorspelbaarheid nog een beetje op te drijven wil ik ook al twee thema’s verklappen: informatie delen en informatievaardigheden.

Binnen het kader van Leuven+ wil ik extra werk maken van informatie delen en heb daarvoor vijf actiedomeinen geselecteerd:

  • Ik wil het verlies van onze oude bibliotheek doen vergeten door te werken aan een nieuwe digitale bibliotheek. Deze bibliotheek zal geen locatie hebben maar zich situeren in de digitale ruimte. Voor de rest zal ze alles hebben wat een gewone bibliotheek ook heeft: een catalogus, gebruikers met bepaalde rechten en zelfs een bibliothecaris die over die rechten waakt. Ik ben ondertussen begonnen met de collectievorming.
  • Ik wil er ook voor zorgen dat alle gidsen van Leuven+ eindelijk beseffen dat de geschiedenis van de universiteit niet stopt in de meidagen van 1968. Ik wil ervoor zorgen dat geen enkele gids niet meer weet hoeveel faculteiten de universiteit heeft. Gidsen van Leuven+ moeten niet weten hoeveel jongens- en meisjesstudenten er precies zijn. Zij zouden wel moeten weten waar ze dit kunnen terugvinden.
  • Bij het volgende project komt voor de eerste keer Parkinson op de proppen. Nu P. ervoor gezorgd heeft dat ik niet meer op straat mijn ding kan doen, ben ik op zoek gegaan naar andere manieren om onze stad bij de mensen te brengen. Ik heb daarbij mijn wagentje handig aangehaakt aan een initiatief van anderen en ben ook begonnen met wat we voorlopig “virtuele” of “digitale wandelingen” noemen, wat weleens voor rare reacties zorgt: “wandelen met zo slecht weer.” We zouden ook stadsspelen en stadsquizzen kunnen ontwikkelen. We moeten dan ook weleens goed nadenken hoe we die nieuwe producten op de “markt” gaan brengen.
  • is wel zeer betrokken bij het volgende plan. Ik zou graag samen met enkele geïnteresseerde gidsen een aantal Parkieswandelingen willen uitwerken: wandelingen aangepast aan Parkinsonpatiënten. Deze wandelingen behandelen dezelfde thema’s maar de aanpak wordt aangepast. Één aandachtspunt om al over na te denken: deze wandelingen zouden geen tussenstoppen mogen hebben, … Wie hierover mee wil nadenken, is bij deze uitgenodigd.
  • Het laatste van mijn vijf plannen voor Leuven+ sluit een beetje aan bij het vorige. Het sluit ook aan bij een van de mooiste initiatieven van Leuven+ van de jongste jaren: specifieke activiteiten voor mensen met een beperking. In dat kader ben ik begonnen met het verkennen van trajecten die toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers. Mijn droom is te komen tot een stadskaart met een toegankelijk knooppuntennetwerk. Ik hoop dat Dijlehof (en andere RVT’s) af en toe eens een traject willen uitproberen.

Voorlopig heb ik voor de Vlaamse Parkinsonliga plannen op twee domeinen

  • Vooreerst blijf ik zeker actief als correspondent voor het VPL-tijdschrift en ik denk dan aan drie reeksen bijdragen: een cursus informatievaardigheden, een reeks “Parkinson voor Parkies” en een aantal internettips.
  • Ten slotte ben ik met veel enthousiasme ingegaan op de vraag van Lut om tegen het volgende jaar (200 jaar Parkinson) te komen tot een vernieuwde reeks brochures over Parkinson voor het grote publiek. Ik krijg hier dus de kans mijn informatievaardigheden te tonen aan de buitenwereld en dat ten gunste van de ziekte van Parkinson: een droom wordt werkelijkheid.

Eindconclusie: ik zit nog barstensvol plannen en ideeën. Ik ben dus terug!

Wetenschap en journalistiek

Even een bedenking tussendoor.

Ik weet niet hoe het met jullie is maar ik stoor me regelmatig aan de kwaliteit van de zogenaamde wetenschappelijke berichtgeving. Informatie kan je die vaak bezwaarlijk noemen want informatie wordt geacht de onzekerheid te reduceren en deze berichten zorgen meestal alleen maar voor meer verwarring en verhogen zo de onzekerheid.

Dit wordt pas echt problematisch als we het over “gezondheidsinformatie” hebben. Dan is verkeerde berichtgeving niet alleen misleidend, dan wordt ze ook ronduit gevaarlijk. Dit werd recentelijk nog eens aangeklaagd in het gezondheidsmagazine Bodytalk waarin de hoofredactrice van leer trekt tegen “zelfverklaarde voedingsexperts zonder enige wetenschappelijke achtergrond”.

Ook de gekende Frans-Zwitserse filosoof Alain de Botton trekt in zijn boek “Het Nieuws: een gebruiksaanwijzing” ten strijde tegen de verwarrende berichtgeving op het vlak van gezondheid en spreekt van mediagiganten die geld verdienen met dit soort berichten. Zijn advies is duidelijk: “Organisaties moeten dringend stoppen met journalisten te belonen voor van de pot gerukte berichten over gezondheid. Ze zouden hen net moeten belonen voor correcte gezondheidsinformatie.”

Merk in bovenstaand kort citaat de genuanceerde woordkeuze op: de auteur plaatst “correcte gezondheidsinformatie” tegenover “van de pot gerukte berichten”

Dat het ook anders kan, bewijzen zeldzame parels van wetenschappelijke journalistiek zoals het ronduit schitterende “Hersenstormen” van Jon Palfreman. Volgens mij verplichte literatuur voor iedereen die op professioneel vlak in contact komt met de ziekte van Parkinson. Geen plaats voor pseudowetenschap, alleen de zuivere wetenschap met al zijn verdiensten en gebreken.

De ziekte is bekend, nu nog een remedie. Ik wil hier alleen maar één mogelijke denkpiste voorstellen. Ik heb niet de pretentie te denken hiermee alles op te lossen. Daarvoor is het probleem te complex. Aanvullingen en opmerkingen zijn dus meer dan welkom.

Ik zou hier willen pleiten voor beter opgeleide wetenschappelijke journalisten. Voor mij is wetenschappelijke journalistiek een specialisatie binnen de journalistiek, in die zin dat journalistieke kwaliteiten noodzakelijk maar niet voldoende zijn als basis voor wetenschappelijke journalistiek. Ik wil hier pleiten voor een gespecialiseerde opleiding wetenschappelijke journalistiek. Een korte zoektocht op het internet heeft mij geleerd dat zoiets al bestaat maar de voorbeelden die ik heb kunnen bekijken, leggen nog te weinig de klemtoon op het wetenschappelijke element. Zo is er van de elementen die ik seffens wil voorstellen amper sprake.

Wat moet dergelijke opleiding inhouden. Natuurlijk moet een wetenschappelijk journalist in de eerste plaats een goede journalist zijn. Ik veronderstel dan ook dat die eigenschappen voldoende gekend zijn en wil me alleen toeleggen op de capaciteiten die specifiek zijn voor de wetenschappelijke journalistiek. Daarmee komen we op vertrouwd domein want de eerste vereiste die we van een wetenschapsjournalist kunnen verwachten, zijn meer dan gemiddelde informatievaardigheden.

Aangezien de wetenschappelijke communicatie hoofdzakelijk gebaseerd is op documentaire informatie – dit is informatie die op een fysieke informatiedrager is vastgelegd – is het kunnen terugvinden, beoordelen en gebruiken van deze informatiebronnen essentieel voor een wetenschapsjournalist. Bibliografische databanken zoals PubMed, Web of Science, Google Scholar, … zouden voor een goed wetenschapsjournalist geen geheimen meer mogen hebben.

Ook de natuurlijke partner van informatievaardigheden, kritisch denken, behoort vanzelfsprekend tot de competenties van een goede wetenschapsjournalist. Zeker als je geconfronteerd wordt met pseudowetenschappen is het herkennen van drogredenen een belangrijk wapen om valse veronderstellingen te counteren.

Je hoort weleens zeggen: je kan toch niet alles lezen. Hoe moeten we dan het koren van het kaf scheiden. Wie zoiets zegt, kent de wereld van de wetenschappelijke communicatie niet en hem ontbreekt aldus een belangrijke competentie om een goede wetenschapsjournalist te kunnen zijn. De wetenschappelijke wereld heeft wel degelijk zichzelf beschermd tegen misbruiken.  Deze bescherming is niet perfect maar ze bestaat wel degelijk.

Het eerste en belangrijkste wapen is het peer-review-systeem (officiële Nederlandse vertaling: collegiale toetsing). Dat komt er vooral op neer dat je in de wetenschappelijke wereld niet zomaar kan publiceren wat je wil. Als je wil meetellen, publiceer je bij voorkeur in een “erkend” wetenschappelijk tijdschrift en die zijn allemaal “peer-reviewed”. Dat betekent dat elke publicatie voor publicatie wordt gelezen door collega’s en dat het pas gepubliceerd wordt als deze “jury” het heeft goedgekeurd.

Het is bovendien ook zodat collega’s ook na publicatie hun waardering voor collega’s kunnen laten blijken, en de belangrijkste manier om dit te doen, is het citeren van hun artikels. Als je die citaties gaat tellen, krijg je automatisch een rangorde van artikels, van tijdschriften (op basis van het gemiddelde aantal citaties per artikel) en van auteurs (meer geciteerde auteurs zijn belangrijker). Ik herhaal nog eens: dit systeem is zeker niet perfect maar er geen rekening mee houden vind ik nog slechter. Ik vind dan ook dat elke zichzelf respecterende wetenschapsjournalist zaken als impactfactoren, de h-index, rankings … moet kennen.

Ten slotte vind ik dat elke wetenschapsjournalist een basiskennis moet hebben over het wetenschappelijk domein waarover hij schrijft. Ik verwacht niet dat elke wetenschapsjournalist een professor in alle wetenschappen is, maar wie over voeding schrijft, moet volgens mij meer weten dan dat er natuurlijke (en dus goede) en synthetische (en dus slechte) voeding bestaat. Een uitspraak als: “Het komt uit de natuur, het zal wel goed zijn” raakt kant noch wal. Hij zou ten minste ook mogen weten dat natuurlijke gifstoffen tot de gevaarlijkste giffen behoren die er bestaan. Je kunt inderdaad niet alles weten maar dan geldt de eeuwenoude wijsheid “Schoenmaker, blijf bij je leest.”

Open brief

Aan de schepen van toerisme

Geachte heer schepen,

U was het waarschijnlijk al vergeten maar in 2007 hield u een speech naar aanleiding van het zestig jaar bestaan van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond. Gelukkig kunnen we die nog eens nalezen want wij hebben hem gepubliceerd in ons tijdschrift. Ontkennen heeft dus geen zin.

Ik ben zo vrij er een kort stukje letterlijk uit te citeren:

“Dat de LGB ook aandacht schenkt aan de Leuvenaar zelf als toerist in zijn stad met de bekende KUS-wandelingen, waarderen wij zeer. Dit draagt in belangrijke mate bij tot het gevoel van fierheid en van waardering van de Leuvenaar voor zijn stad. Dit creëert mee een draagvlak bij de Leuvenaars voor het beleid van enerzijds zorg voor ons erfgoed en anderzijds aanpassing van de stad aan nieuwe noden en verwachtingen.

U mag daarbij zeker – en dit is een uitnodiging –  uw rol van geweten van onze stad naar het beleid voluit spelen.”

Mijnheer de schepen, u heeft ons deze rol gewoon afgepakt. Wat nog erger is, u heeft de Leuvenaar zijn Ken-Uw-Stad- en zomerwandelingen afgepakt!  Waarom?

Niet omdat wij dit alleen organiseerden. U ha de Ken-Uw-Stad- en zomerwandelingen even goed in een perceel kunnen stoppen en het mee opnemen in het bestek dat u hebt opgesteld. Wij zouden dan wel gezien hebben wie dit perceel zou binnengehaald hebben. Dan hadden de Leuvenaars ten minste de kans behouden zijn stad beter te leren kennen.

Ik kan me niet voorstellen dat u niet meer achter uw eigen woorden staat. Er moeten dus andere redenen zijn om deze bocht van 180 graden te verklaren. In de wandelgangen hoor ik wel motiveringen waarvan ik alleen kan hopen dat ze niet kloppen want ze getuigen alleen van een zeer kortzichtige blik op toerisme die niet strookt met de visie die u verdedigde in uw speech in 2007 en later ook op de Algemene Vergaderingen van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond, en al helemaal niet met de visie van uw voorganger als schepen van Toerisme, toch een partijgenoot. Hij noemde ons herhaaldelijk de ogen en oren van de Leuvenaar naar het gemeentebestuur toe.

Kwatongen beweren dat dit de gemakkelijkste manier was om op toerisme te besparen om zo uw steentje te kunnen bijdragen aan het mooie financiële plaatje dat deze meerderheid het jaar voor de verkiezingscampagne weer uitbreekt aan de bevolking wou voorspiegelen. Ik durf te betwijfelen of de subsidies aan Ken-Uw-Stad en Zomerwandelingen de financiële slokoppen waren van het toeristisch beleid. Volgens mij heeft de organisatie van een “Thuis”-dag veel meer gekost dan de subsidies voor alle wandelingen samen. Maar ja, onze schepen staat blijkbaar liever met Marleen Merckx op de foto dan met een van de meer dan honderd schitterende gidsen van zijn stad. Met mij hoeft hij alvast niet meer te poseren.

Een andere verklaring die ik al gehoord heb, is dat cultuurtoerisme onder cultuur valt en niet onder toerisme. Dit lijkt me een typisch Belgische redenering maar dan wel op gemeentelijk vlak. Zulke belachelijke bevoegdheidsdiscussies kunnen alleen in België gevoerd worden. Wanneer houdt een hotelgast op een toerist te zijn en wordt hij plots cultuurtoerist? Of zijn bezoekers van onze stad alleen maar toeristen als ze ook renderen voor de Leuvense horeca-zaken? Als dat de redenering is, kan je de bevoegdheid toerisme best afschaffen en deze toevoegen aan de schepen van middenstand. Gelukkig blijft de bevoegdheid en dus ook het geld dan binnen dezelfde partij. Het lijkt er trouwens op dat de partijen van de meerderheid in dit dossier de zwarte piet naar elkaar aan het doorschuiven zijn. De CD&V-schepen van Toerisme legt de verantwoordelijkheid bij de SP.A-schepen van cultuur en omgekeerd.

Als geen van beide verklaringen juist is, mijnheer de schepen, geef me dan één goede reden waarom u nu net het omgekeerde doet van wat je nog geen tien jaar geleden gezegd hebt. En als u geen goede reden kunt vinden, toon dan even politieke moed, geef uw vergissing toe en geef de Leuvenaars opnieuw de kans hun stad beter te leren kennen.

Wim Van Isterdael,

15 jaar bestuurslid van de Koninklijke Leuvense Gidsenbond (gestopt om medische redenen).

Informatie, gezondheid en wetenschap

Beste spinselvrienden,

Het onderwerp voor dit spinsel heb ik gehaald uit de e-nieuwsbrief van “Gezondheid en Wetenschap”. Daarin staat een bijdrage met als titel: “Kan overleg tussen arts en patiënt het antibiotocagebruik verminderen”. Dit bleek in meerdere opzichten een interessant aanknopingspunt voor een spinsel.

Ik heb hier eerder al gewezen op het probleem van zogenaamde medische nieuwsberichten. Deze problematiek was ook mensen van CEBAM niet ontgaan. Dat is een van de motieven bij de ontwikkeling van de website “Gezondheid en Wetenschap”.

Wie de actuele medische sector een beetje volgt, heeft waarschijnlijk wel al eens de term “evidence-based medicine” horen vallen. Maar wat houdt dat precies in? “Evidence-based” zie je trouwens meer en meer in andere domeinen, buiten de medische sector, opduiken: evidence-based pedagogie, evidence-based human resources management, evidence-based communicatie, zelfs evidence-based bibliotheek- en informatiewerk. Maar wat wordt daar precies mee bedoeld?

Natuurlijk is dit ook een gelegenheid om nog maar eens het belang van informatie in de gezondheidszorg te beklemtonen. Dit wordt hier aangetoond door een studie, in dit geval een systematic review, in verband met antibioticagebruik. Ook in andere medische domeinen bestaan dergelijke onderzoeken. Zo heb ik recent nog een studie, ook een systematic review, gelezen over de effecten van informatievoorziening op de levenskwaliteit  van MS-patiënten. Ook al zijn deze onderzoeken niet optimaal, het feit dat ze bestaan is al een stap in de goede richting.

Ik gebruik voor de bespreking van het bericht van Gezondheid en Wetenschap dezelfde aanpak als degene die zij zelf gebruiken voor het bespreken van medische nieuwsberichten. Die recensies bestaan steeds uit drie deeltjes:

  • Waar komt dit nieuws vandaan?
  • Hoe moeten we dit interpreteren?
  • Conclusie

Waar komt dit nieuws vandaan?

Ik heb dit bericht dus van de website Gezondheid en Wetenschap. Deze website is een initiatief van CEBAM, het Centrum voor Evidence-Based Medicine als correctie op de stroom van medische informatie die via de populaire media op het publiek afkomen. Zij zijn nog voorzichtig en spreken van “ook minder correcte commentaren en soms ronduit verkeerde adviezen” “naast zeer nuttige informatie over medisch-wetenschappelijk onderzoek.” Ik zou het willen omdraaien en spreken van “soms zeer nuttige informatie naast minder correcte commentaren en ronduit verkeerde adviezen”.

“Evidence-based medicine” is kort samengevat geneeskunde gebaseerd op wetenschappelijke bewijzen. Die bewijzen moeten geleverd worden door goed wetenschappelijk onderzoek, d.w.z. objectief, gecontroleerd en de effecten moeten vergeleken worden met een controlegroep. Met Gezondheid en Wetenschap wil CEBAM evidence-based medicine toegankelijk maken voor het grote publiek. Het motto dat ze hiervoor aanhalen kan ik alleen maar onderschrijven: “Zoals mensen recht hebben op zuiver drinkwater, hebben ze ook recht op zuivere gezondheidsinformatie.”

Deze opdracht, zuivere gezondheidsinformatie, proberen ze te realiseren door enerzijds EBM-richtlijnen die bedoeld zijn voor artsen, te hertalen naar EBM-patiëntenrichtlijnen en anderzijds door de meest in het oog springende medisch-wetenschappelijke nieuwsberichten onder de loep te nemen en te becommentariëren op basis van informatie over de wetenschappelijke oorsprong van het nieuws.

Het besproken onderzoek is beschreven in een Cochrane review. Voor artsen (en biomedische informatiespecialisten) zou dit geen onbekende mogen zijn. Voor de anderen een woordje uitleg. Cochrane is een non-profitorganisatie die via streng gecontroleerde systematic reviews betrouwbare informatie verspreidt naar artsen en patiënten. Een systematic review is een verslag van een systematisch onderzoek van de wetenschappelijke informatie over het onderwerp. “Systematisch” wil hier zeggen dat zowel het verzamelen als het verwerken van de informatie gebeurt gebruikmakend van geformaliseerde methoden zodanig dat de lezer het verloop van het onderzoek kan volgen en de kwaliteit ervan kan inschatten.

De bron van deze informatie staat dus boven alle verdenking. De primaire bron, Cochrane, is dé wereldautoriteit op het vlak van evidence-based medicine. Een objectievere bron van medische informatie is moeilijk denkbaar. Die reputatie van de primaire bron straalt ook af op de secundaire bron. CEBAM is trouwens de lokale vertegenwoordiger van België in het Cochrane-netwerk. Verwachten dat patiënten Cochrane reviews lezen is overdreven maar Wetenschap en Gezondheid durf ik wel aan iedereen aanraden. Misschien een tip, ga telkens als je op de radio of op televisie iets hoort, of in de krant of in een magazine iets leest over een middeltje god weet waartegen, eens kijken op Wetenschap en Gezondheid of zij er iets over vertellen.

Hoe moeten we dit interpreteren?

  • Het mogelijk maken van gezamenlijk beslissingen door arts en patiënt kan het antibioticagebruik reduceren op korte termijn.
  • Effecten op middellange of lange termijn kunnen niet bewezen worden.
  • De bewijskracht is matig tot zwak.

Dit is kort samengevat wat een arts kan onthouden bij het behandelen van patiënten. Dit lijkt maar een mager beestje: waarschijnlijk werkt het op korte termijn. De suggesties voor verder onderzoek zijn dan ook interessanter.

  • Er moeten nog meer gelijkaardige onderzoeken uitgevoerd worden.
  • Er moet beter onderzocht worden hoe men dit positief effect zo groot mogelijk kan maken.

In feite zegt dit mager resultaat meer over de kracht en de beperkingen van evidence-based praktijken buiten de geneeskunde dan over het onderwerp van de studie zelf. Ik denk dat we hier op de grenzen van evidence-based medicine gestoten zijn. In feite gaat het hier meer over evidence-based pedagogie dan over evidence-based medicine.

Wat “evidence-based” betekent buiten de geneeskunde is mij niet duidelijk. Ik vind het moeilijk om de concepten van EBM zomaar over te zetten op andere domeinen van de wetenschap. EBM is voor een groot stuk gebaseerd op het concept klinische studie. Als men in het kader van EBM spreekt over wetenschappelijk onderzoek, heeft men het meestal over klinische studies, bij voorkeur dubbelblind en placebogecontroleerde RCT’s (randomized clinical trials) maar wat zijn deze concepten nog waard als het gaat over pedagogie, human resource management, communicatie, … Gelukkig durft een van de belangrijke promotoren van evidence-based medicine in zijn hoorcolleges ook wel eens pedagogisch experimenteren en die experimenten zien mislukken.

Dit betekent niet dat in deze domeinen niet gezocht moet worden naar “de best beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid” zoals het in de definitie van “evidence-based practice” mooi wordt verwoord. Het is echter niet altijd duidelijk wat met die best beschikbare informatie bedoeld wordt.

Conclusies

  1. De website “Gezondheid en Wetenschap” is een zeer krachtig tegengif tegen al de informatiepollutie in de populaire media.
  2. Ook als het gaat over informatie, is het belangrijk te zoeken naar de maximale doelmatigheid en doeltreffendheid. Dit onderzoek vraagt wel een aangepaste methodologie. Evidence-based medicine kan hier dienen als informatiebron maar kan niet zomaar gekopieerd worden.
  3. Los van het therapeutisch effect, informatie is in de gezondheidszorg een ethische vereiste.
  4. “Zoals mensen recht hebben op zuiver drinkwater, hebben ze ook recht op zuivere gezondheidsinformatie.”